LEIDEN DES JUNGEN WERTHER

Geplaatst op 1 januari 2005 door Ingrid van der Chijs
De roman, over de jonge Werther, die zelfmoord pleegt wanneer hij beseft dat zijn grote liefde Lotte onbereikbaar is, werd zowel luid bejubeld als compleet verguisd.
Inleiding
Toen ‘Die Leiden des jungen Werther’ in 1774 verscheen, waren de reacties gemengd. De roman, over de jonge Werther, die zelfmoord pleegt wanneer hij beseft dat zijn grote liefde Lotte onbereikbaar is, werd zowel luid bejubeld als compleet verguisd. Vooral jongeren herkenden zich in de hoofdpersoon, een gewone jongeman uit de middenklasse. Veel volwassenen waren echter geschokt door de ongewone afloop en zagen het boek als een apologie van de zelfdoding.

De vorm waarin het verhaal is gegoten, kwam halverwege de achttiende eeuw in zwang en week sterk af van de normen van het klassieke paradigma. Net als ‘Clarissa’ van S. Richardson bestaat ‘Die leiden des jungen Werther’ voor het grootste deel uit brieven. Eigenlijk is de hele roman een weergave van de correspondentie van Werther aan zijn vriend Wilhelm, waaruit de lezer zelf het –overigens zeer duidelijke- verhaal moet destilleren. Door met de hoofdpersoon ‘mee te lezen’ leert de lezer Werthers diepste gedachten, die hij aan het papier en zijn vriend toevertrouwt, kennen. In uitgebreide bespiegelingen beschouwt hij zichzelf en anderen, mijmert over zijn gevoel, zijn relaties en zijn handelen.

Werther voldoet in veel opzichten aan het Verlichtingsideaal. Hoewel de Verlichting met name als ‘rationeel’ te boek staat, hechtte men behalve aan de rede wel degelijk veel belang aan het gevoel. Een groep jonge Duitse dichters, onder wie Goethe, de zogenaamde ‘Sturm und Drang’ beweging, sprak zich uit tegen het rationalisme van de Verlichting en wilde breken met de traditionele regels. In de achttiende-eeuwse roman werd voor het eerst duidelijk aandacht besteed aan de innerlijke beleving van de personages en streefde men bovendien naar een zo sterk mogelijk ‘meeleven’ van het publiek.

Ook een toenemende aandacht voor het individu was kenmerkend voor het Verlichtingsdenken. Het was in die periode van individualisme dat het woord ‘genie’ betekenis kreeg. Daarmee werd iemand aangeduid die boven de middelmaat uitstak. De kunstenaars van ‘Sturm und Drang’ spraken over het ‘Originalgenie’, dat zich tegen tradities en autoriteit verzette en door eigen geniale oorspronkelijkheid nieuwe vormen en inhouden schiep. Werther is een typisch voorbeeld van het jeugdige genie, dat opvalt door zijn buitengewone gevoeligheid en intelligentie.

‘Die Leiden des jungen Werther’ bracht een golf van emotie teweeg en maakte Goethe in één klap wereldberoemd. Ook vandaag de dag weet de roman nog steeds te boeien. Wat bracht de jonge Werther, die in de ogen van veel tijdgenoten waarschijnlijk de ‘ideale schoonzoon’ was, ertoe een einde te maken aan zijn leven? Is het zijn liefde voor Lotte of speelt er meer mee? En is het boek inderdaad een apologie van de zelfdoding of zijn er ook passages te vinden, waarin de houding van Werther wordt afgekeurd? Naar mijn idee moet er onderscheid worden gemaakt tussen de oorzaak van Werther’s zelfmoord, die ligt in zijn karakter, en de directe aanleiding ervoor, namelijk zijn onbeantwoorde liefde voor Lotte. Het karakter van Werther wil ik in hoofdstuk één behandelen, zijn liefde voor Lotte, die uiteindelijk tot de zelfmoord zal leiden, in hoofdstuk twee.

H1 Een eenzaam genie
‘Wat ben ik blij dat ik weg ben!’, roept Werther op 4 mei 1771 uit. Het is de eerste regel van ‘Die Leiden des jungen Werther’ en typerend voor het karakter van Werther. Vrijheid, ruimte voor individuele ontplooiing, is iets waar Werther voortdurend naar streeft. Hij verabsoluteert het vrijheidsaspect van de Verlichting en wijst elke vorm van regulering af. ‘Ik wil niet meer worden geleid, aangevuurd en meegesleept, dit hart bruist al genoeg uit zichzelf (…).’ Hij onttrekt zich aan de maatschappij, waarin hij zich niet thuis voelt en zoekt de eenzaamheid van het platteland op, die als ‘zoete balsem’ op zijn ziel is.

‘Als ik de begrensdheid zie waarbinnen daadkracht en onderzoekingsgeest van de mens zijn gevangen; als ik zie dat alle activiteit neerkomt op het bevredigen van behoeften, die op hun beurt geen ander doel hebben dan ons armzalig bestaan te verlengen (…) – dan verstom ik, Wilhelm. Ik keer terug in mezelf, en tref er een wereld aan!’

Op het platteland vindt Werther rust en inspiratie en komt hij tot zichzelf. Hij legt zich toe op zijn favorieten bezigheden, lezen en schilderen, hoewel hij bij tijd en wijle zo overweldigd wordt door zijn omgeving, dat zijn kunst er, naar eigen zeggen, onder lijdt. Zo schrijft hij eens: ‘Ik zou niet kunnen tekenen nu, geen lijn, en ben nooit een groter schilder geweest dan op dit ogenblik.’ Afgezien van een enkele ontmoeting met een toevallige passant of een dorpsbewoner, leeft hij bewust in afzondering. Hij beschouwt dit als noodzakelijk om zijn talenten ten volle te kunnen benutten.

‘Als ik me wel eens laat gaan, wel eens meegeniet van de vreugden die de mensen nog zijn gegeven, aan een welvoorziene dis te zitten gekscheren in alle open- en trouwhartigheid, een rijtoer op zijn tijd, het organiseren van een danspartij en dergelijke, dan doet me dat echt goed; alleen moet ik niet bedenken dat er nog zoveel andere krachten in me schuilen, die allemaal onbenut verschalen en die ik zorgvuldig verborgen moet houden.’

Wanneer Werther in zijn brieven zo’n sporadische ontmoeting met een vreemde beschrijft, doet hij dat meestal om zijn opvattingen te kunnen ventileren. Zo vertelt hij dat hij een pas afgestudeerd academicus heeft ontmoet, die echter niets dan boekenwijsheid ‘uitkraamde’. ‘Hij (…) beschouwt zich wel niet als een geleerde, maar denkt toch dat hij meer weet dan een ander.’ Enigszins denigrerend besluit Werther: ‘Ik liet het voor wat het was.’ Kennis die van bovenaf wordt opgelegd is voor Werther niets waard, hij leert in de praktijk en door eigen ondervinding.

Werther geniet van de mooie natuur om hem heen. In één van zijn brieven vertelt hij Wilhelm over een tuin, die hij heeft gezien. De manier waarop Werther de tuin beschrijft, zegt veel over hemzelf. ‘Het is een eenvoudige tuin, en al bij het betreden voelt men dat niet een wetenschappelijke tuinier het ontwerp heeft gemaakt, maar een gevoelvol hart, dat hier in zichzelf wilde genieten.’ Hij prefereert de ongekunstelde charme van een tuin, die zonder vooropgezet plan is aangelegd, boven de koele schoonheid van één, die aan regels onderworpen is. Later ziet Werther opnieuw aanleiding op het onderwerp terug te komen:

‘Er is veel voor regels te zeggen, ongeveer wat er ten gunste van de burgermaatschappij valt te zeggen. Een mens die zich ernaar ontwikkelt zal nooit iets smakeloos of slechts produceren, evenmin als iemand die zich door wetten en fatsoen laat kneden ooit een onverdraaglijke buur of een bijzonder grote schurk kan worden; daarentegen zal echter iedere regel, wat je ook beweert, het ware natuurgevoel en de ware weergave daarvan tenietdoen!’

Werther zet zich af tegen een samenleving, waarin een mens in theorie vrij is om te doen en laten wat hij wil, maar in praktijk gevangen zit in een maatschappelijk keurslijf. Slechts door hard werken en geld verdienen kun je als burger een respectabele positie in de maatschappij bemachtigen. Tegenover het katholicisme, dat arbeid als een noodzakelijke voorwaarde ziet, om de van nature zondige mens discipline bij te brengen, heeft arbeid zich in het protestantse Duitsland ontwikkeld tot een deugd, die onlosmakelijk verbonden is met de religie. De brave burgers van het achttiende-eeuwse Duitsland vinden het belangrijker om hard te werken en daarmee hun burgerplicht te vervullen, dan een eigen leven te leven. Werther beklaagt zich over hun gebrek aan initiatief:

‘Als je me vraagt hoe de mensen hier zijn, dan moet ik zeggen: zoals overal! Het is een uniform iets met het mensdom. De meesten brengen het grootste deel van hun tijd door met werken om te leven, en het beetje dat hun aan vrijheid overblijft benauwt ze zo, dat ze alles te baat nemen om ervan af te komen. O, menselijke bestemming!’

Hij hekelt de burgers, ‘die hun futiele bezigheden of zelfs hun passies de mooiste namen geven en ze bij het mensdom als grootse verrichtingen tot aller heil en welzijn aandienen’. Werther vindt dat de dwang om te werken leidt tot onderdrukking van de menselijke natuur. Om zijn materiele behoeftes te bevredigen moet de mens zich aanpassen aan de massa en zijn eigen aard verloochenen. Dit heeft onherroepelijk verlies van persoonlijke vrijheid tot gevolg. Ironisch beschrijft Werther de ‘gelukkige schepselen’ die naar het ‘suikerbrood’ verlangen, in plaats van hun rechten als individu op te eisen.

‘Dat kinderen niet weten wat ze drijft, daar zijn geleerde schoolmeesters en huisonderwijzers het over eens; maar dat volwassenen ook als kinderen op deze aardbodem ronddartelen en evenmin weten vanwaar ze komen en waarheen ze gaan, evenmin tot een duidelijk doeleinde handelen, evenzeer door biscuit en koek en berkenroede worden geregeerd, dat wil niemand graag aannemen, terwijl je het, dunkt me, tastbaar voor je ziet.’

Eenmaal onderbreekt Werther zijn verblijf op het platteland en accepteert hij tijdelijk een baan bij een graaf, maar dit leidt er slechts toe dat hij bevestigd wordt in zijn ideeën. Hij krijgt te maken met een gezant, ‘de pietluttigste kwast die er bestaat’, ‘omslachtig als een oude jongejuffrouw’, die het Werther zeer onaangenaam maakt, omdat die gewend is ‘vlug en voor de vuist weg’ te werken. ‘Als je je volzin niet op de gebruikelijke dreun afdraait begrijpt hij er niets meer van’, schrijft Werther op neerbuigende toon over de gezant. Daarmee is de gezant representatief voor het slag burger, dat Werther zo verafschuwt. Al snel spreekt Werther dan ook zijn ongenoegen uit over de baan, die hij een ‘slavendienst’ noemt:

‘Actieve dienst! Als iemand die aardappels poot of naar de stad rijdt om zijn graan te verkopen niet meer doet dan ik, ben ik bereid me nog tien jaar af te beulen op de galei waarop ik nu zit vastgeketend.’

Met eigen ogen ziet hij ‘de vergulde armoede’, waar hij al eerder op doelde toen hij sprak over de burgers die op het ‘suikerbrood’ uit waren:

‘Die onderlinge eerzucht, de manier waarop ze almaar loeren en wachten of ze niet een stapje voorsprong op elkaar kunnen krijgen. Treurige, erbarmelijke passies, onverhuld tentoongespreid.’

Tijdens zijn verblijf bij de graaf wordt Werther geconfronteerd met het feit dat hij ‘slechts’ uit de middenklasse afkomstig is. Zich afzettend tegen de adellijke arrogantie sluit Werther vriendschappen over de standengrens heen, bijvoorbeeld met Fraulein von B. en de graaf. Het gezelschap dat hem op diens feestje wegkijkt, kan op weinig goedkeuring rekenen: ‘Ze sperren hun hoogadellijke neusgaten open, en ik wil, aangezien ik dat slag verfoei, net afscheid nemen (…).’ Ook op andere momenten verzet Werther zich tegen autoritaire mensen ‘die met hart en ziel verkleeft zijn aan het protocol’. Hij beschouwt de sociale hiërarchie als beperkend voor de ontplooiing van je menselijke vermogens. Heel revolutionair zijn Werther’s opvattingen echter niet, want hij merkt ook op: ‘Ik weet wel dat we niet gelijk zijn en ook niet kunnen zijn.’ Waarschijnlijk beschouwt hij de burgerlijke moraal als een groter gevaar dan het sociale systeem.
In veel opzichten is het karakter van Werther representatief voor de Verlichting. Maar door zijn extreme opvattingen, zijn afkeer van het leven van de gewone burger en zijn pertinente weigering om een baan aan te nemen, plaatst hij zichzelf buiten de maatschappij.

H2 Tussen hartstocht en krankzinnigheid

‘Waarom ik niet schrijf? – En dat vraag jij, die toch tot de geleerde heren behoort. Je zou moeten raden dat het me goed gaat, en wel - - - Om kort te gaan, ik heb kennisgemaakt met iemand die mijn hart meer dan anders raakt, ik heb - - ik weet het niet.’ Dit schrijft Werther op 16 juni aan zijn vriend. Behalve uit zijn woorden blijkt ook uit de gedachtestreepjes, die zijn emoties verraden, hoezeer Werther vanaf het begin onder de indruk is van Lotte. In haar vindt hij zijn gelijke. ‘Alles wat ze zei had karakter, met ieder woord zag ik nieuwe charme, zag ik nieuwe vonken van geest opflitsen in haar gezicht, dat een steeds vergenoegdere uitdrukking leek te krijgen, omdat ze voelde dat ik haar begreep.’

Net als Werther is Lotte zeer gevoelig. Met elkaar bespreken ze elkanders hartstochten en delen elkanders passies. Samen gaan ze op in literaire passages of raken ze ontroerd door een bepaald muziekstuk. Allebei bewonderen ze de schoonheid van de natuur. Zo sterk zijn hun emoties dat ze elkaar soms bijna woordeloos begrijpen.

‘Ze leunde op haar ellebogen, haar blik ging over de omgeving, ze keek naar de hemel en naar mij, ik zag haar ogen vol tranen, ze legde haar hand op de mijne en zei: Klopstock! – Ik herinnerde me meteen de prachtige ode waar ze aan dacht en werd overspoeld door de emotie die ze me met dat wachtwoord gaf. Ik hield het niet uit, boog me over haar hand en drukte er met tranen van geluk een kus op.’

Naast het gevoel speelt ook de voor de Verlichting zo karakteristieke rationaliteit en deugd een belangrijke rol. Lotte kan misschien wel de personificatie van de burgerlijke deugden genoemd worden. Ze is beheerst en trouw, zorgt voor haar broertjes en zusjes, nadat hun moeder is overleden, en verzorgt een oude vrouw die op sterven ligt. Zo nu en dan speelt ze ook nog een aangename melodie op haar klavier. ‘Zoveel eenvoud naast zoveel verstand, zoveel goedheid naast zoveel standvastigheid, en die gerustheid van ziel naast de werkelijkheid en activiteit van het gewone leven,’ verzucht Werther in adoratie.

Ook haar verloofde Albert, ‘een beste, aardige man, wie iedereen goedgezind moet zijn’, geniet Werthers achting. Als Werther Lotte voor het eerst ontmoet is Albert niet thuis, omdat hij zaken moet regelen in verband met het overlijden van zijn vader en omdat hij achter een goede betrekking aan zit. Zijn komst brengt bij Werther echter een schok teweeg: ‘Al was hij de beste, de nobelste mens ter wereld, van wie ik me in ieder opzicht bereidwillig de mindere zou voelen, dan nog zou ik het niet kunnen verdragen zoveel volmaaktheid voor mijn ogen de zijne te zien noemen.’ Al snel heeft Werther meer kritiek op hem. Zegt Werther aanvankelijk nog enigszins verzachtend dat Alberts ‘bedaarde buitenkant’ sterk contrasteert met de rusteloosheid van zijn eigen karakter, later is hij minder mild in zijn oordeel. Hij ergert zich aan de manier waarop Albert al zijn woorden wikt en weegt en alles nuanceert. Daarmee vertegenwoordigt Albert precies het soort mensen waar Werther een hekel aan heeft, mensen die het ontbreekt aan passie en die zich minutieus aan regels houden.

‘Mag ik het zeggen? Waarom zou ik niet, Wilhelm? Met mij was ze gelukkiger geweest dan met hem! O, hij is niet de man die vervullen kan wat dat hart wenst. Een gemis aan een bepaalde gevoeligheid, een gemis - - neem voor lief wat ik zeg: dat zijn hart niet meeklopt bij - - - bij een passage in een dierbaar boek waar mijn en Lottes hart één zijn, bij honderd andere gelegenheden dat zij en ik uiting geven aan onze indrukken.’

Door hun verschillende karakters gaan Werther en Albert herhaaldelijk met elkaar in discussie. Symbolisch is het moment waarop Werther een – weliswaar ongeladen – pistool tegen zijn hoofd houdt, in de bedoeling de trekker voor de grap over te halen. Dodelijk verschrikt rukt Albert het pistool uit Werthers hand en roept uit: ‘Waarom doe je dat?’ Als Werther antwoordt dat het pistool niet geladen is, zegt hij driftig: ‘Wat dan nog, waarom doe je het! Ik kan me niet indenken dat een mens zo gek is om zichzelf voor zijn hoofd te schieten. De gedachte alleen al staat me tegen.’ Albert vertolkt hier de mening van waarschijnlijk de meeste tijdgenoten en is als het ware representatief voor de Verlichte burger.

Wanneer Werther Albert als gevolg van deze en andere uitspraken beschuldigt van ongevoeligheid, spreekt hij in meervoud en lijkt zich niet alleen tot Albert, maar tot alle burgers, die net zo zijn als de brave Albert, te richten:

‘Hartstocht! Dronkenschap! Krankzinnigheid! Jullie blijven er zo kalm onder, zo onaangedaan, jullie deugdzame lieden! Jullie veroordelen wie drinkt, verafschuwen wie zich gek gedraagt, lopen door als een hogepriester en danken God als een farizeeër dat hij jullie niet heeft gemaakt als een van dezen. Ik ben menig keer dronken geweest, mijn hartstochten lagen altijd dicht bij waanzin, en het berouwt me geen van beide: want ik heb op mijn manier leren inzien hoe het komt dat alle buitengewone mensen, die iets groots, iets schijnbaar onmogelijks tot stand hebben gebracht, te allen tijde voor dronkaards en krankzinnigen zijn uitgekreten.’

Maar bij al deze kritiek is Albert wel degene die het brood op tafel brengt. Hij heeft van het hof een goedbetaalde functie gekregen. Werther realiseert zich dit terdege: ‘Wat ordelijkheid en werkijver aangaat, ben ik zijns gelijke weinig tegengekomen.’ Hij benijdt Albert soms zelfs om zijn baan, maar beseft dat dit niet voor hem is weggelegd: ‘Maar als ik er (…) weer aan denk, komt me de fabel van het paard voor de geest, dat zich, ongedurig geworden door zijn vrijheid, laat zadelen en tomen en dood wordt gereden – en dan weet ik niet wat ik moet doen.’ In een vlaag van zelfkennis voegt hij hier nog aan toe: ‘Is die hang naar verandering van mijn toestand niet misschien een innerlijke, knagende ongedurigheid die overal met me mee zal gaan?’

Werthersliefde voor Lotte verandert al gauw in een obsessie. Hij denkt dag en nacht aan haar en er gaat geen dag voorbij of hij brengt haar een bezoek. Albert ergert zich hier al snel aan, maar ook Lotte begint zich ongemakkelijk te voelen onder de situatie. Zo nu en dan confronteert ze Werther met haar bezwaren en maakt ze hem op vriendelijke toon verwijt van zijn excessieve manier van leven. Wanneer hij zijn houding niet veranderd, wordt Lotte bijna wanhopig: ‘Waarom ik, Werther, waarom nu juist ik die aan iemand anders toe behoor?’ Ze verzoekt Werther op een gegeven moment zelfs om omwille van haar rust niet meer langs te komen. Wanneer hij geen gehoor geeft aan haar verzoek en toch langskomt, escaleert de situatie. In een moment van hartstocht kust hij Lotte, waarop zij zich losrukt en wegrent.

Dat Werther een vreemde fascinatie voor de dood en voor het begrip zelfmoord heeft, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de scène met Albert, wanneer hij de loop van een pistool tegen zijn hoofd drukt, belooft weinig goeds. Maar er zijn meer tekenen die erop wijzen dat het verhaal wel een ongelukkige afloop móet hebben. Zo ontmoet Werther op een gegeven moment een man, die midden in de winter naar bloemen aan het zoeken is voor zijn geliefde. De man blijkt zijn verstand verloren te hebben. ‘Ja, er is een tijd geweest dat het leven zo goed was! Nu is het afgelopen met me!’, mompelt de man. Wanneer een oude vrouw de man komt zoeken, informeert Werther naar de achtergrond van de geschiedenis. De vrouw vertelt dat de man vroeger een goede jongen was, maar dat hij op een gegeven moment koorts kreeg en in razernij verviel. Wanneer Werther vraagt wat de man bedoelt met de tijd dat hij zo gelukkig was, antwoordt de vrouw: ‘Daar bedoelt hij die tijd mee dat hij zijn hoofd kwijt was, (…) de tijd dat hij in het dolhuis zat en niet wist wat hij deed.’ Daarop roept Werther uit: ‘God in de hemel! Is dat het lot dat u de mensen hebt beschoren, dat ze alleen gelukkig zijn voordat ze bij hun verstand zijn en nadat ze het weer verliezen!’ Nog schrijnender wordt het verhaal, wanneer blijkt dat de man klerk was bij Lottes vader en dat het zijn hartstocht voor haar was, die hem krankzinnig maakte.

Ook met een boerenknecht, die in een situatie verkeert die veel gelijkenis vertoont met die van Werther, loopt het slecht af. De boerenknecht is hartstochtelijk verliefd geworden op zijn bazin. Op een avond kan hij zich niet meer bedwingen en probeert hij haar met geweld te overmeesteren. De bazin verzet zich echter en op dat moment verschijnt haar broer, die de knecht onmiddellijk het huis uitschopt. Enige tijd later wordt de boerenknecht opgepakt, omdat hij de broer heeft vermoord. Werther voelt veel sympathie voor de knecht, die uit liefde tot zo’n emotionele daad is gekomen, en neemt het voor hem op. Het heeft echter geen enkele zin en verslagen schrijft Werther: ‘Je bent niet meer te redden, arme stakker! Ik zie wel dat wij niet te redden zijn.’

Dat Werther uiteindelijk zelfmoord pleegt, is nauwelijks nog een verrassing te noemen. Wel opvallend is het feit dat het pistool waarmee Werther de daad verricht, indirect afkomstig is van Lotte. Zij is het die het pistool het laatst in haar handen heeft gehad, voordat het bij Werther werd bezorgd, en wanneer Werther dat hoort, schrijft hij in een laatste brief aan haar: ‘Ze zijn door jouw handen gegaan, jij hebt er het stof afgeveegd, ik kus ze duizendmaal, jij hebt ze aangeraakt: jij, wezen uit de hemel, begunstigt mijn besluit, jij, Lotte, reikt me het instrument, jij, uit wier handen ik de dood wenste te ontvangen en acht, nu ontvang.’ De toestemming die Lotte, zij het waarschijnlijk onbewust, verleent aan de daad, geeft aan dat Werther te ver is gegaan in zijn liefde voor haar.

H3 Conclusie
In veel opzichten voldoet Werther aan het Verlichtingsideaal. Sturm und Drang zijn volop aanwezig. Werther laat zich meevoeren door zijn gevoel en dit vormt de basis voor de gebeurtenissen in de roman. Dat ook Lotte een gevoelig mens is, blijkt uit de manier waarop zij samen met Werther kan opgaan in literaire passages en mooie natuur. Naast het gevoel spelen ook de voor de Verlichting zo karakteristieke rationaliteit en deugd een belangrijke rol. Werther bewondert de rustige, redelijke Albert en adoreert Lotte, die misschien wel de personificatie van de burgerlijke deugden genoemd kan worden. Tot slot komen ook de noties van gelijkheid en democratie duidelijk naar voren in de roman, wanneer Werther zich afzet tegen het standsverschil.

Werther is echter niet in staat een balans te vinden tussen rede en gevoel. Door zijn absolutisme weigert hij elke vorm van compromis, waardoor hij zich als het ware buiten de Verlichte maatschappij plaatst. Hij slaat door in zijn verlangen naar vrijheid en dit gaat uiteindelijk ten koste van de personen die hij zo bewondert, onder wie Lotte. Zij leeft, hoewel hij in haar veel van zichzelf herkent, wel in harmonie met zichzelf en haar omgeving, en is daarmee een voorbeeld voor Werther, omdat zij suggereert dat dit dus wel kan. De claim die Werther op Lotte legt, maakt haar echter onrustig en tenslotte zelfs ongelukkig, en daarmee vervliegt ook elke hoop van Werther op geluk. Hoewel het op papier de onbeantwoorde liefde voor Lotte is, die Werther tot zijn wanhoopsdaad drijft, ligt de oorzaak in feite in zijn onvermogen en zijn onwil zich in de Verlichte maatschappij te handhaven.

Hoewel nauwkeurig wordt beschreven waarom en hoe de hoofdpersoon zelfmoord pleegt, is het boek geen apologie van de zelfdoding. Er wordt wel degelijk kritiek gegeven op de houding van Werther, bijvoorbeeld in de persoon van Albert. Ook loopt het met andere personages die in een soortgelijke situatie als Werther verkeren slecht af. Het boek heeft daarmee iets dubbels: enerzijds krijg je als lezer sympathie voor de hartstochtelijke Werther, anderzijds weet je dat het niet goed met hem mag en kan aflopen. Anders dan de meeste romans van die tijd is het boek wezenlijk ambigu. Het is deze dubbelzinnigheid die ervoor zorgt dat het boek, ook vandaag nog, zoveel tegenstrijdige gevoelens opwekt. 

Literatuurlijst


- Goethe, J.W., Het lijden van de jonge Werther (Amsterdam 1990)

- Hampson, N., The Enlightenment, An evaluation of its assumptions, attitudes and values (Londen 1990)

- Scherpe, K., Werther und die Wertherwirkung, Zum Syndrom bürgerlicher Gesellschaftsordnung im 18. Jahrhundert (Berlijn 1970)
Bericht geplaatst in: artikel