HEL, HEMEL EN CHRISTENDOM

Geplaatst op 7 januari 2005 door Reinard Maarleveld
Voor steeds meer scholieren zijn onderwerpen uit de middeleeuwen en Nieuwe Tijd moeilijk te volgen omdat er geen voorkennis is van het christendom. Dit artikel bevat de basisideeen.
Hel, hemel en christendom
Een korte historische inleiding voor scholieren zonder kennis van het christendom

I Ontstaan en groei van het christendom
Rond het jaar 30 wordt in Palestina, op bevel van de Romeinse bestuurder Pontius Pilatus, Jezus van Nazareth, ook wel Jezus Christus genoemd, gekruisigd. De directe volgelingen van Jezus (de discipelen of apostelen) blijven na zijn dood zijn ideeën verkondigen. Van de apostelen zijn Petrus en Paulus het meest succesvol.

Langzamerhand krijgen de christenen voet aan de grond in het Romeinse rijk. Dat gaat soms ten koste van strijd en bestraffing van christenen die zich afzetten tegen de Romeinse geloofstradities. Wie sterft voor het geloof wordt een martelaar genoemd. Sommige christenen leiden een voorbeeldig christelijk leven en worden door latere generaties als heiligen vereerd. De verhalen over martelaars en heiligen worden doorverteld, opgeschreven en afgebeeld op schilderijen en prenten.

In de vierde eeuw komt de ommekeer. Eerst verleent keizer Constantijn de christenen vrijheid van godsdienst (313) en niet lang daarna verklaart keizer Theodosius het christendom tot staatsgodsdienst (380).

In de volgende eeuwen wordt de leer van het christendom uitgewerkt door de zogenaamde Kerkvaders (geleerden die de regels van het christendom nader uitwerken en uitleggen aan de gelovigen). Er ontstaan allerlei ruzies over kwesties als de heilige drie-eenheid (hoe kan God tegelijk ook de Zoon en de Heilige Geest zijn?) en de transsubstantiatie (is het lichaam van Jezus werkelijk aanwezig in de hostie en de wijn?).

Terwijl in het westen het Romeinse rijk in de vijfde eeuw ten onder gaat blijft in het oosten het Oost-Romeinse of Byzantijnse rijk (genoemd naar de hoofdstad Byzantium, later (330) Constantinopel, nog later Istanboel) bestaan. In West-Europa nemen primitieve stammen als de Gothen en de Germanen de macht over. Er is geen centraal gezag meer. De kerk van Rome kan in de chaos van de vroege middeleeuwen als bindmiddel fungeren. Priesters en bisschoppen bewaren de kennis van de Romeinen en dwingen daarmee ontzag af.

Wereldlijke heersers als de Frankische vorst Karel de Grote denken door samenwerking met de kerk hun rijk beter te kunnen besturen.Uiteindelijk komt er (ca. 1100) een hiërarchische (duidelijke gezagsstructuur) organisatie die geleid wordt door de paus vanuit Rome. Dat heeft wel een breuk met de christelijk-Byzantijnse kerk (geleid vanuit Constantinopel) tot gevolg.

De paus is de opvolger van Petrus. Hij is uitgerust met de tiara (de driekroon die verwijst naar de heilige drie-eenheid) en de sleutels (tot de hemelpoort). De paus benoemt kardinalen en bisschoppen en is zowel wereldlijk als geestelijk heerser. Als baas van de rooms-katholieke kerk (=vrij vertaald: de kerk van Rome voor de hele wereld) moet hij er ook voor zorgen dat de regels worden nageleefd. Wie tegen de regels van het geloof ingaat wordt een ketter genoemd.

Omdat ketters het gezag van de kerk direct aantasten moeten ze ook streng worden aangepakt. Wie beschuldigd wordt van ketterij krijgt de kans zich te verdedigen en om terug te keren van zijn of haar dwalingen. Maar wie weigert kan de doodstraf krijgen.

Naast het relatief nieuwe christendom blijft in West-Europa het traditionele volksgeloof (Keltisch, Germaans) voortbestaan. Geesten, spoken en magie blijven het volk bezighouden. Dit bijgeloof wordt door de kerk niet gewaardeerd, maar ook niet als zeer bedreigend gezien.

Soms wordt echter een verband gelegd met de Duivel. En de Duivel is voor de kerk wel een groot gevaar. Een verbond met de Duivel kan het geloof vernietigen Hier dient dus hard te worden opgetreden!

Aan het begin van de zestiende eeuw komt er harde kritiek vanuit de rooms-katholieke kerk zelf: de Reformatie. Deze kritiek loopt uiteindelijk (rond 1520) uit op een afscheiding van de kerk en een nieuwe geloofsrichting: het Protestantisme.

De katholieke kerk en de wereldlijke katholieke heersers reageren fel en gaan de strijd aan met de protestanten: de Contrareformatie (vanaf ca. 1560). Het conflict leidt in heel Europa (tot ca. 1650) tot oorlog en geweld (de Opstand in de Nederlanden, de Dertigjarige oorlog in Duitsland).

Het lijkt erop dat de vele heksenprocessen die tussen 1550 en 1650 (met een piek in Duitsland tussen 1610 en 1630) gevoerd zijn duidelijk samenhangen met de Contrareformatie. De protestantse ketters hadden in de ogen van de katholieke kerk een verbond met de duivel gesloten.
{mospagebreak}
II De leer van het christendom
Volgens de leer van Jezus Christus is er maar een God. God wil de mensheid van het Kwade redden en heeft met dat doel zijn enige zoon (= Jezus Christus, de Verlosser) naar de aarde gestuurd. De bedoeling is dat Jezus als mens tussen de mensen leeft en vervolgens sterft. Met zijn dood zal hij de mensen verlossen en voorkomen dat de zielen van de gestorvenen naar de Hel gaan. Wie als Christen sterft wordt gered en gaat naar de Hemel. Jezus wordt door de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus ter dood veroordeeld. Jezus is aangegeven door schriftgeleerden die hem als een valse profeet zien.

Jezus staat drie dagen na zijn kruisdood op uit het graf en vertoont zich aan enkele mensen. Vervolgens reist hij vanaf een berg naar de hemel (hemelvaart). Hiermee heeft hij aangetoond de dood te kunnen overwinnen. Jezus stelt de mensen Het Laatste Oordeel in het vooruitzicht. Aan het Einde der Tijden zal Jezus terugkeren op aarde “om de levenden en de doden te oordelen”. De goeden gaan naar de hemel, de slechten naar de hel.

Voor de middeleeuwse mens zijn hel en hemel realiteit. Daarbij: het leven is kort. De dood neemt dagelijks familie, vrienden of kennissen tot zich. “Heden ik, morgen gij” en “Gedenk te sterven” zijn bekende spreuken.

De hel wordt voorgesteld als een martelplaats zonder weerga. Duivelachtige wezens en afzichtelijke monsters stellen de lichamen van de zondaars bloot aan ondragelijke pijnigingen. Er is eeuwig vuur, “geween en geknars van tanden”.

De mens is echter “geneigd tot het Kwade”. Dat betekent dat hij voortdurend lastig gevallen wordt door de Duivel. De Duivel is een gevallen engel die door God uit de hemel is gezet. De Duivel heeft als roeping de mens naar het pad van zonde en bederf te leiden.

De Duivel kan zich in verschillende gedaanten voordoen. Hij kan bezit nemen van andere lichamen (van mensen of dieren) en alle soorten van magie bedrijven. De Duivel kennen we onder vele namen, bijvoorbeeld: Satan, Lucifer, het Beest, Beëlzebub, Leviathan, de (oude of grote) Slang.

Uit het Scheppingsverhaal blijkt dat de Duivel vanaf het begin van de geschiedenis aan het stoken is. God heeft de aarde geschapen, een man naar zijn evenbeeld (Adam) en een vrouw uit diens rib (Eva). Zij leven onaangeraakt door het kwaad (naakt, onschuldig, onsterfelijk) in het Paradijs. Maar God stelt hen op de proef door hen te verbieden van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad te eten. Eva laat zich echter ompraten door de Slang (een van de veel voorkomende gedaanten waarin de Duivel zich presenteert) om toch van de appel te eten en geeft Adam ook een stukje. Daarmee hebben zij hun onschuld verloren, zich overgegeven aan het Kwaad en de Zonde. Ze zijn plotseling sterfelijk, schamen zich voor hun naaktheid, en zullen hard moeten werken voor de kost.

Voor het verschijnsel hekserij is hier interessant dat juist Eva zich laat verleiden door de Duivel en dat ze ook nog eens Adam ‘erbij lapt’. God geeft haar een extra straf: (Genesis 3:16) “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan en hij zal over u heersen.”
Bericht geplaatst in: artikel