MET DE LOEP OP LANCASHIRE. KATOEN EN SAMENLEVING 1750-1850

Geplaatst op 8 maart 2005 door Reinard Maarleveld
Deze samenvatting is gebaseerd op de examengids van Wolters Noordhoff: Geschiedeniswerkplaats, maar kan evengoed gebruikt worden door leerlingen die met een ander boekje werken.
 
Alle examengidsen zijn namelijk gebaseerd op dezelfde stofomschrijving.
Met de loep op Lancashire. Katoen en samenleving 1750-1850 (havo en vwo)
 
Let op!
 
Deze samenvatting is gebaseerd op de examengids van Wolters Noordhoff: Geschiedeniswerkplaats, maar kan evengoed gebruikt worden door leerlingen die met een ander boekje werken. Alle examengidsen zijn namelijk gebaseerd op dezelfde stofomschrijving.
 
 
Inleiding
 
Waar zijn we? Lancashire
Wanneer speelt het? 1750 – 1850
Wat gaan we bekijken? Ontwikkeling katoennijverheid

Hoofdvraag
Welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op:
landschap, economie en samenleving?
 
1.1 Waar ligt Lancashire?

Midden-Westen van Engeland (p.8). Grote steden Liverpool (haven), Manchester (zaken, fabrieken) en kleine steden als Preston en Bolton.

Waarom is “Lancashire en de katoennijverheid” interessant?
Daar begint de industriële revolutie van Europa en Amerika!

Deelvragen Hoofdstuk 1
1- Wat zijn de kenmerken van de industriële revolutie?
2- Waardoor begon de industriële revolutie juist in Lancashire?

Definitie industriële revolutie:
Handwerktuigen maken plaats voor machines. (Machines worden aangedreven door stoom, gas, elektriciteit.)

Oorzaken voor industriële revolutie?
Verschillende ontwikkelingen die elkaar versterken:
1- Bevolkingsgroei leidt tot stijgende vraag naar producten
2- Agrarische revolutie zorgt voor voldoende voedsel en schaalvergroting. Kleine boeren raken hun bedrijf kwijt en kunnen in de industrie gaan werken
3- Technologische vernieuwing in de nijverheid. De vraag naar machines en arbeiderskrachten stijgt.
4- Er ontstaat een (wereld)markteconomie naast de oude (lokale) landbouweconomie.

1.2 Waarom deze ontwikkelingen nu juist in Engeland?

1-Voldoende Voedsel door productiestijging in de landbouw. Vanaf 1500 enclosures (omheinen gemeenschappelijke gronden).

2-Voldoende Kapitaal. Engeland is de grootste koloniale macht (India). Engelsen beheersen de wereldzeeën. Binnenlands veel havens en rivieren. Minder getroffen door de oorlogen op het Continent (1792-1815). Gunstig ondernemersklimaat door invloed rijke burgers op de kroon sinds de Bill of Rights (1688).

3-Voldoende Arbeid door bevolkingsgroei en als gevolg van de agrarische revolutie: Schaalvergroting. Gunstig voor landheren en pachters. Ongunstig voor kleine boeren en landarbeiders (zij gaan later naar de fabriek als goedkope arbeidskrachten!)

4-Voldoende Steenkool en ijzererts in de bodem vlakbij Lancashire.

5-Voldoende Technologische vernieuwingen. Stoompomp van Newcomen (ca.1730) wordt door Watt (1782) stoommachine. Dan geschikt voor aandrijven van wielen.

1.3 Lancashire rond 1750

- agrarisch gebied
- iets groter dan Gelderland
- Noorden vooral akkerbouw, in het Zuiden handel en nijverheid (Blackburn, Bolton). Liverpool en Manchester de enige grote steden.
- middel van bestaan: landbouw, handel en huisnijverheid (linnen en bombazijn = katoen + linnen)

Huisnijverheid afhankelijk van kooplieden door putting-out system. Koopman zet de ruwe stof op de stoep en het gezin verwerkt het tot linnen en bombazijn. Voordeel: ondernemersrisico beperkt->hoge winsten mogelijk.

Kooplieden zijn: inkoper ruwe textiel, leverancier, opdrachtgever, financier, verkoper. Samengevat in dubbelfunctie koopman-bankier. Vormen een netwerk.

Productiefasen textiel:
Wassen
Kaarden-> Kinderen, vrouwen
Spinnen-> (jonge) vrouwen
Weven-> (jonge) mannen
Bleken
Vollen (= vervilten of persen)
Verven
Bedrukken
Naaien

Katoen uit India en de Levant (oostelijk deel Middellandse zee, Turkije) komt via Londen.
Katoen uit Brazilie, Caraiben, na 1800 Noord-Amerika komt via Liverpool.

1.4 Waarom begint de katoenrevolutie juist in Lancashire?

1- Vochtig klimaat is gunstig voor verwerking textiel
2- Specialisatie in linnen en bombazijnproductie (“know-how”)
3- Profiteerde van Calico Act (1721-1774) (importverbod op India-katoentjes)
4- Putting-out system verrijkt ondernemers
5- Vlak bij steenkolenmijnen (belangrijk na 1800!)
6- Snellere bevolkingsgroei dan elders in Engeland


{mospagebreak}Hoofdstuk 2 De zegetocht van katoen

Deelvraag: Hoe ontwikkelde de Britse katoennijverheid zich tussen 1750 en 1850? Waardoor kon de productie zo worden uitgebreid?

2.1 Revolutie in het spinnen

In 1850 produceerde Engeland 200x zoveel katoen als in 1750. 70% komt uit Lancashire. Oorzaken

1- Meer arbeiders (bevolkingsgroei) en arbeidstijd (gaslamp).
2- Vier uitvindingen: Schietspoel van Kay (1730), Spinning Jenny van Hargreaves (1764), Waterframe van Arkwright (1769), Mule van Crompton (1779)

De Muilezel drinkt Water en Jenny spint bij de Schietpoel->
Mule->Waterframe->Spinning Jenny->Schietspoel

Over de vier uitvindingen:

Schietspoel van Kay (1730): weven gaat 2x zo snel

Spinning Jenny van Hargreaves (1764): meerdere draden tegelijk spinnen. Nadeel: fijne maar breekbare draad

Waterframe van Arkwright (1769): aangedreven door waterkracht.
Sterke, maar grove draad. Katoen nu zelfstandig product->100% katoen!

Mule van Crompton (1779):
Muilezel=kruising van ezel en paard.
Mule = kruising van Spinning Jenny en Waterframe
Fijne, sterke draad mogelijk->grove en fijne kleding mogelijk!
De Mule wordt, aangedreven door stoommachines, ingezet in grote fabrieken (vanaf 1790)

2.2 Ondergang van de thuiswever

Stoommachine wordt ondergang van de thuiswever. Eerste succesvolle toepassing rond 1800. Maar: tot 1840 blijven handwevers in de meerderheid. Kleine bedrijven maken tot 1840 nog steeds gebruik van Spinning Jenny of Waterframe.

Stoommachine eerder toegepast bij het spinnen: vanaf 1790.

Positie wevers: rond 1770 neemt aantal wevers snel toe (door de vier uitvindingen).
1815: 170.000 wevers, 25% beroepsbevolking.
Blijft tot 1835 constant. Pas na 1840 meer fabriekswevers.

Langzame omslag te verklaren door:
1 Verzet tegen mechanisering (vernielingen 1826)
2 Kinderziektes stoomweverijen
3 Handwevers waren goedkoop, machines nog duur

Ook het bleken, verven, bedrukken en naaien van katoen wordt gemechaniseerd. Vanaf 1850 ontstaat een confectie-industrie.

Cotton millionaire

Have you got what it takes to make a fortune in Victorian industry?
www.bbc.co.uk/history/society_culture/

2.3 Katoen voor iedereen (de vraag blijft groeien!)

Katoenproductie groeide door verbeteringen in de productie:

1 Meer arbeiders (bevolkingsgroei) en arbeidstijd (gaslamp).
2 Vier uitvindingen: Schietspoel van Kay (1730), Spinning Jenny van Hargreaves (1764), Waterframe van Arkwright (1769), Mule van Crompton (1779)

3 Cotton gin van Ely Whitney in Noord-Amerika (1793). Katoenzaden (“seed”) worden machinaal gescheiden van de spinbare vezels (“lint cotton”).

1 man met cotton gin doet werk van 50 man zonder…

Lancashire haalt vanaf 1800 katoen vooral uit N-Amerika, via Liverpool.

Katoenproductie groeide ook door grotere vraag:

3 Steeds lagere prijzen voor steeds beter katoen (prijs-kwaliteitverhouding wordt steeds beter). Door stoomweefgetouw (1830’s) en confectie-industrie (1840’s) is katoen in 1850 20x zo goedkoop als in 1780.

4 Ook sterk groeiende export van katoen naar buitenland (Europa, N-Amerika,
Z-Amerika, India en China). India wordt na 1850 de grootste groeimarkt.
Buitenlandse afzet kwetsbaar door oorlogen (1806-1815) en tariefmuren (na 1815).

Na 1890 neemt de buitenlandse concurrentie sterk toe. Engeland is haar voorsprong kwijt.

2.4 Van Koopman-fabrikant naar handelsbank (fabrikanten, kooplieden en
bankiers)

De productie steeg, de vraag steeg, maar ook het handelssysteem verbeterde sterk!

1750: Putting-out system. Gezin produceert voor koopman-bankier

Rond 1790 nieuw type ondernemer: koopman-fabrikant. Handelaar en producent tegelijk. Bouwen fabrieken en pakhuizen (voorraadbeheersing).

Na 1815: Scheiding tussen fabrikanten, kooplieden en bankiers. Door schaalvergroting en afhankelijkheid van wisselvallige buitenlandse markten veel faillissementen.

Specialisatie:

Bankiers in de Londen (de City) nemen de financiën in handen (Rothschild, Baring, Brown).

Kooplieden specialiseren zich (ruwe katoen, import, export, binnenslands).
Veel buitenlandse ondernemers (Duitsers): veel kennis van de Europese markt.

Enorme rijkdommen naast faillissementen

1804: Katoenbeurs in Manchester: “tempel van de wereldwijde katoenhandel, waar ondernemers elkaar ontmoeten.”


{mospagebreak}Hoofdstuk 3 Manchester: Shock City. Leven in Cottonopolis (=Katoenstad)

3.1 De eerste industriestad

Manchester 1750: 18.000 inwoners. Wel grote plaats en centrum van de textielhandel, maar zonder fabrieken!
Vanaf 1770: Manchester eerste grote industriestad van de wereld! (rokende schoorstenen, hoge fabrieksgebouwen, stampende machines).

1761: Bridgewater-kanaal klaar. Verbinding tussen kolenmijnen hertog van Bridgewater en Manchester. Startsein ontwikkeling Manchester!

Hertog van Bridgewater wordt rijk van steenkool en van tolheffing op gebruik van het kanaal door andere vervoerders. Andere ondernemers laten ook kanalen aanleggen: ontstaan waterwegennet.

Vanaf 1790 eerste stoomspinnerijen in Manchester. (Stoomweven komt vooral buiten Manchester tot ontwikkeling.) In 1800 zijn er in M. meer dan 100 stoomspinnerijen.
Hoe zien ze eruit?
* Langwerpige gebouwen, drie tot vier verdiepingen, kleine ramen
* Vanaf ca. 1820 hoger en langer door ijzeren geraamte als basis te gebruiken.
Voorbeeld: Redhill Street Mill (1818), acht verdiepingen
* Open hallen om toezicht op arbeiders eenvoudiger te maken


Door katoenfabrieken nieuwe activiteiten in Manchester:
* Handelskantoren (import, export, verzekering, logistiek)
* Pakhuizen voor opslag katoen
* Beurs (ontmoetingsplaats voor handelaren en fabrikanten)
* Banken
* Veredelingsbedrijven (vollen, bleken, verven, bedrukken)

Vanaf 1830: Spoorlijn Liverpool-Manchester. Kanaaleigenaren zijn tegen: zij verliezen tolinkomsten. Verlagen na 1830 toltarieven om te kunnen concurreren tegen de spoorwegen.
1830-1850: Enorme groei spoorwegen tot dicht netwerk tussen alle grote steden.

3.2 Miserabel Manchester. Arbeidsleger in lompen

Manchester 1770: 22.000 inwoners
Manchester 1800: 75.000 inwoners
Manchester 1850: 300.000 inwoners

Urbanisatie (verstedelijking) verloopt snel en zonder organisatie (geen overheidsingrijpen).

* Enorme vervuiling grond, water en lucht (smog).
* Sloppenwijken met stegen en hofjes. Kelderwoningen.
* Geen riolering en waterleiding.
* Ongezond leven en hard werken (14 uur per dag) tegen lage lonen
* Kinderarbeid: voor veel gezinnen noodzaak
Gemiddelde leeftijd arbeiderskinderen zeventien jaar.
50% sterft voor het vijfde levensjaar.
Cholera-epidemie in Manchester in 1832.

Voorbeeld van sloppenwijken in Manchester: Ancoats en Little Ireland
Liggen verstopt achter de doorgaande wegen en grotere straten in het centrum

Groei steden door migratie (=trek platteland naar de stad)
Massale immigratie uit Ierland (aardappelziekte en hongersnood 1845-1849)

3.3 Een wereld van verschil. Een klassenmaatschappij

Rijk en arm leven in de stad Manchester strikt gescheiden.
Rijken leven in sjieke wijken aan de rand of helemaal buiten de stad
Middenklasse woont in nieuwe woningen en straten bij het centrum
Arbeiders wonen in “onzichtbare” sloppenwijken in of bij het centrum

Middenklasse: verzamelbegrip voor alles tussen rijk en arm in.

Oude middenklasse: winkeliers, geschoolde ambachtslieden, dokter, onderwijzer

Nieuwe middenklasse: klerk, manager, ingenieur, verzekeringsagent
Witte boorden, white collars

Gemeenschappelijk is hun burgerlijke, Victoriaanse cultuur.
Genoemd naar koningin Victoria (1837-1902).


Kenmerken burgerlijke, Victoriaanse cultuur:
* strenge gedragsregels (seksualiteit, omgangsvormen)
* Groot vertrouwen in het individu
* vrouwen moeten thuis een veilige haven voor het gezin scheppen. Kinderen opvoeden en de normen en waarden hooghouden

In de stad verdwijnt het paternalisme (vaderlijke, bevoogdende) van de standenmaatschappij. Er ontstaat een harde klassenmaatschappij.

standenmaatschappij: saamhorigheidsgevoel en aanvaarding van ongelijkheid
klassenmaatschappij: tegenstelling tussen bezitters en niet-bezitters en strijd om gelijkheid

Stand: groep met dezelfde rechten en plichten (geestelijkheid, adel, burgers)
Stand is een juridisch begrip

Klasse: groep met hetzelfde bezit (bezit van de productiemiddelen)
Klasse is een economisch begrip

Vanaf 1830 geleidelijke overgang: middenklasse erkent noodzaak tot verbetering van de positie van de arbeiders.
Menslievende (armoede en kindersterfte) en politieke motieven (opstand en revolutie dreigen!).
1829: Landelijke wet: politie wordt overheidstaak ipv vrijwilligerswerk
1839: Politiecorps in Manchester. Afname misdaad.

Cholera-epidemie van 1832 treft iedereen.
Meer hygiëne en betere waterkwaliteit nodig.:
1835: Public Health Act
1840’s: aanleg waterleiding, riolering, bestrating, parken


3.4 Het platteland van Lancashire. Bolton

Ligt 11 mijl ten Noordwesten van Manchester (p.40).

1750: Platteland. 4.600 inwoners . Bombazijn (huisnijverheid).

1770: Urbanisatie door vier uitvindingen. Steeds meer handwevers nodig en arbeiders voor spinnerijen en volmolens

1791: Kanaal Bolton-Manchester

1800: Stoommachine gaat spinnerijen aandrijven. Zwaartepunt katoenindustrie naar Zuidoost Lancashire, vlakbij de steenkolenmijnen. 17.000 inwoners

1818: Gasfabriek levert gaslicht (1 van de eerste steden in de wereld!) voor straatverlichting.

1828: Stoomtrein in Bolton. Vestiging spoorwegindustrie.

1830: 56 katoenfabrieken met 11.000 arbeiders

1835-1840: Onrust door economische crisis en protesten tegen stoomweeffabrieken.

1850: 50.000 inwoners.

In Manchester ook nog handelsactiviteit, maar in Bolton alleen maar industrie.

Bolton in 1830’s door industrialisering:
vervuild water, slechte huisvesting, ondervoeding, geen riolering. Gevolgen:
1- epidemieën (cholera)
2- hoge kindersterfte

Zowel overheid als ondernemers zien dat er iets gedaan moet worden.
Overheid: gemeentebestuur legt waterleiding aan (1844)
Ondernemers: Robert Gardner en Thomas Bazley zorgen voor betere huisvesting voor arbeiders door bouw Barrow Bridge. Wijk met rijtjeshuizen met tuintje en gasverlichting. (p.43)

In Barrow Bridge ook sociale en maatschappelijke voorzieningen:
school, begrafenisverzekering, ziekenfonds, coöperatieve winkels, mensa (openbare keuken).



{mospagebreak}H 4. Ondernemers en arbeiders

Deelvraag: Hoe beïnvloedde de katoennijverheid de arbeidsverhoudingen en de bestaanszekerheid?

4.1 Ziek van de arbeid

Mechanisatie van de katoennijverheid 1750-1850.

1750’s: putting-out system
1780’s: spinnen fabrieksmatig-> toename aantal handwevers
1800’s: stoomweverijen in opkomst
1840’s: meer stoomwevers dan handwevers

Mechanisatie leidt tot arbeidsdeling. Gevolgen van arbeidsdeling:

1- Routinewerk
2- Strakke werktijden
3- Streng toezicht ->hiërarchie en organisatie arbeid worden belangrijk
4- Vrouwen en kinderen gaan lichter werk doen. Mannen in zware industrie
5- Laag, ongeschoold en gevaarlijk werk door de zwaksten

4.2 Macht van de werkgevers

Niet alle werkgevers zijn slecht:
1. Paternalisme (=vaderlijke zorg). Voorbeeld: Gardner en Bazley (Barrow Bridge!)
2. Er zijn veel kleine ondernemers die ’t maar net redden

Maar: verhoudingen werkgever en werknemer verharden. Macht grote ondernemers bijna onbeperkt door:

1- Stukloon
2- Combination Act (1799-1824) = verbod op vakbonden
3- Arbeiders houden geen geld over voor een stakingskas
4- Staking kan tot uitsluiting leiden. Uitsluiting: ontslag, maar je weet ook dat je nergens meer aan het werk komt…

Pas na 1850 vakbonden geaccepteerd door werkgevers (In Blackburn in 1853 wordt voor ’t eerst een stukloon door onderhandeling afgesproken.)

4.3 Een onzeker bestaan

Kregen de arbeiders het tussen 1750 en 1850 beter of slechter?

Niet eenvoudig met ja of nee te beantwoorden!
Hangt af van je politieke voorkeur (standplaastgebondenheid!)
Liberaal: voor de ondernemers
Socialist: voor de arbeiders


De feiten op economisch gebied:
Bevolkingsgroei door minder doden en meer geboorten.
Dalende sterftecijfers als gevolg van betere voeding: de aardappel en import Amerikaans graan
Stijgende geboortecijfers door daling huwelijksleeftijd. Te verklaren doordat boeren alleen trouwden bij bestaanszekerheid. In de stad kun je beter eerder trouwen. Kinderen kunnen (bijna) meteen meewerken.

De feiten op sociaal gebied
Het leven wordt in sommige opzichten beter in andere slechter.

Beter:
1- ontstaat in de stad een buurt- en familienetwerk, coöperaties
2- paternalisme onder werkgevers
3- sociale wetgeving vanaf 1830’s: Factory Acts 1833
4- Friendly societies met onderlinge regelingen voor ziekte en ondersteuning

Slechter:
1- Harder leven in de stad dan op het platteland
2- Kwetsbaar voor ziekten en ongevallen
3- Lange werkuren, slechte voeding en huisvesting

4.4 Handwevers en arbeiderskinderen

Positie handwevers:
Tussen 1750 – 1800: goede periode (meer vraag door betere spinmachines)
Tussen 1800 – 1830: slechte periode (opkomst stoomweverijen)
Tussen 1830 – 1850: beroep sterft uit, behalve de specialisten in het vak

Positie arbeiderskinderen:
Tussen 1750 – 1800: Kinderen werken altijd. Weeskinderen slecht af.
Vanaf 1830’s: sociale wetgeving (Factory Acts-> onder 9 jaar niet werken, onder 13 jaar niet in de nacht of langer dan 13 uur)
1847: Ten Hours Act voor vrouwen en kinderen

Kregen de arbeiders het tussen 1750 en 1850 beter of slechter?

Kijk naar
* Wie precies (wevers, spinners, kinderen)
* Wanneer precies (welke periode)
* Waar precies (grote stad, provinciestad of platteland)

Algemeen:
Tussen 1750 – 1800: verslechtering positie arbeiders
Tussen 1800 – 1840: stabilisatie tot kleine verbetering
Na 1850: duidelijke verbetering


{mospagebreak}Hoofdstuk 5 Samenleving onder spanning

Deelvraag: hoe werd op de veranderingen in de samenleving gereageerd?

Achtergrondinformatie voor dit hoofdstuk:

A- Nieuwe opvattingen
Tussen 1750 en 1800 is het in heel Europa ongunstig door revolutionaire ideeen.
Politiek: burgers willen meer invloed op het bestuur.
Sociaal-economisch: burgers willen minder ongelijkheid en minder armoede.

B- Franse revolutie
Franse revolutie (1789) belooft “vrijheid, gelijkheid en broederschap” . Verspreiding van deze belofte via de oorlogen van Napoleon (1799-1815). Engeland wordt niet veroverd, maar voelt wel de invloed van de nieuwe opvattingen.

C- Corn Laws
Napoleon probeert Engeland met het Continentaal Stelsel economisch te isoleren. Korenprijs stijgt in Engeland. In 1815 voert de Engelse regering de Corn Laws in om de eigen graanproductie te beschermen tegen goedkope import.

5.1 Onderdrukking en verzet

Ook in Engeland politieke en sociaal-economische onrust:

1- Luddieten (1807-1812)
Boze handwevers voeren ’s nachts onder de naam Luddieten (aanhangers van Ned Ludd) aanslagen uit op weeffabrieken. Onderdrukt door hard optreden overheid.

2- Peterloo bloedbad (1819)
Massabetoging voor algemeen kiesrecht op het St. Petersfield in Manchester. Leger slaat demonstranten uiteen: 11 doden en 400 gewonden.
Protesten in Londen, samenzwering tegen regering (1820). Onderdrukt door hard optreden overheid.

5.2 Macht van de nieuwe middenklasse. Oude tegen nieuwe Lords

1820-1825: rustige periode door economische voorspoed
(1826: vernielingen handwevers aan weefmachines)

1830: Revolutiejaar in Europa (Frankrijk, Belgie, Polen). Ook in Engeland onrust.

1830-1832: Nieuwe groepen willen kiesrecht:
1- (geschoolde) arbeiders
2- nieuwe middenklassen in de steden (managers, handelaren, verzekeringsagenten, bankmedewerkers, vervoerders, uitgevers, artsen, advocaten)
3- textielfabrikanten

Hoe wordt Engeland rond 1830 bestuurd?
Parlement is de baas. Sinds 1688 is de koning ondergeschikt aan “Parliament”.

Parlement bestaat uit 2 kamers:
House of Lords of Hogerhuis; leden benoemd door de koning
House of Commons of Lagerhuis; leden gekozen uit stedelijke districten (“boroughs”) en landelijke districten (“counteys”).

De indeling in “boroughs” was sinds 1688 ongewijzigd. Toen lagen de meeste steden in het zuiden, in 1830 in het midden van Engeland. (p.70)

“Rotten boroughs”: sterk gekrompen of zelfs verdwenen stedelijke districten.

Manchester en Liverpool zijn in 1830 niet vertegenwoordigd in het House of Commons!

Angst voor revolutie leidt tot een compromis. Herindeling “boroughs”
Reform Bill van 1832: Katoenfabrikanten en nieuwe middenklassen krijgen (143) vrije zetels. Zij krijgen politieke invloed en zijn tevreden
Arbeiders krijgen niets!

Fabrikanten en middenklasse wil ook van Corn laws af:
• maakt arbeid (loonkosten) onnodig duur
• blokkeert vrijhandel (slecht voor export katoenen stoffen)

1838: Oprichting Anti Corn Law League (geleid vanuit Manchester)

1846: Intrekking Corn Laws door Sir Robert Peel (zoon van een textielfabrikant uit Manchester).

Overwinning voor fabrikanten en middenklasse op de oude landadel.
Lords of the loom (=weefgetouw) zijn nu belangrijker dan the Lords of the soil (=grond).


5.3 Strijd om algemeen kiesrecht

Conclusie van 5.1 en 5.2:
Reform Bill (1832) brengt fabrikanten en middenklasse wel politieke invloed, maar arbeiders niet!

1836-1842: Economische neergang (depressie). Arbeiders zien kiesrecht als middel om hun positie te verbeteren

1838: People’s Charter (handvest van het volk) opgesteld in Londen. Belangrijkste eis: algemeen kiesrecht voor mannen.

Tactiek “Chartisten”:
• massabijeenkomsten
• betogingen en rellen
• handtekeningenacties (petities of “petitions”)

Petities van 1839 en 1842 afgewezen door House of Commons (=middenklasse en fabrikanten!). Staking 1842 mislukt door armoede stakers en onderdrukking regering. In 1848 mislukt een derde petitie van de Chartisten.

Chartisme verloopt door:
1- sociale wetgeving (Ten Hours Act 1847) en hervormingen (intrekking Corn Laws 1847)
2- aantrekken economie en stijging welvaart
3- groei vakbonden leidt tot verbetering positie arbeiders

 

5.4 Visies op een nieuwe samenleving

Ideeën van economen, schrijvers, politici over de katoenrevolutie en haar gevolgen.

A- Economen
Hoe komt het dat sommige landen arm zijn en anderen rijk? Hoe kun je als land rijk worden?

17e eeuw: Mercantilisme. Staat moet zorgen dat er meer uitgevoerd wordt dan ingevoerd. Dan krijg je goud en zilver binnen. Eigen markt beschermen en buitenlandse concurrenten aanpakken. Armen moeten verplicht worden om te werken in werkinrichtingen (goederen maken!).

18e eeuw: Fysiocraten. Economie is een natuurlijk systeem dat je het beste vrij kunt laten (“laissez-faire”), zoals de bloedsomloop in het lichaam. Landbouw is de enige echte productiefactor en de basis voor alle welvaart.

Adam Smith: “The Wealth of Nations” (1776): iedereen moet zijn eigen gewin najagen. Als door een onzichtbare hand zal het dan met de gemeenschap goed gaan. Grondlegger economisch liberalisme.

Thomas Malthus (1798): Bevolkingsgroei stijgt altijd sneller dan de voedselproductie. De arbeiders hebben dat niet in de gaten. Zij moeten worden voorgelicht anders worden ze steeds het slachtoffer van honger en ellende.

Manchester School:
1- Ricardo (1817): Door specialisatie en vrijhandel kan de groei langer doorgaan. Maar er is een grens.
2- Ure en Babbage (ca. 1835): Productiestijging brengt welvaart voor iedereen. Fabriekswerk wordt steeds lichter en efficiënter.

B- Schrijvers

Charles Dickens (1812-1870): vraagt aandacht voor de armen in krantenfeuilletons en romans. In “Hard Times” (1854) beschrijft hij het leven van een wever in Coketown.

Elizabeth Gaskell (1810-1865): In “Mary Barton” probeert ze de kloof tussen middenklasse en arbeidersklasse te overbruggen.
C- Politici

Benjamin Disraeli (1804-1881); Het verschil tussen arm en rijk (“two nations”) verkleinen door sociale wetgeving en uitbreiding van het kiesrecht.

Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895): Arbeiders zullen het steeds slechter krijgen door de groei van het kapitalisme. Uiteindelijk zullen ze massaal in opstand komen en de macht grijpen (proletarische revolutie).

 

 



Bericht geplaatst in: artikel