VOOR EEN BETER LEVEN?

Geplaatst op 8 september 2005 door Reinard Maarleveld
Het sociaal protest van de Twentse textielarbeiders in de periode 1860-1880 is onvoldoende  belicht: Hoe werd op het sociaal protest van de Twentse textielarbeider gereageerd?
1. Inleiding
In dit artikel zal ik trachten aan te tonen dat het sociaal protest van de Twentse textielarbeiders in de periode 1860-1880 onvoldoende is belicht. Daarnaast zal ik aangeven hoe op het sociaal protest van de Twentse textielarbeider werd gereageerd door fabrikanten en gedeelten van de Twentse burgerij.
Er zijn veel studies over de Twentse katoennijverheid verschenen. Sommige, zoals van Boot en Smissaert belichten overwegend het economische aspect. Het werk van Benthem richt zich op historie en genealogie, Van Waarden neemt de kwaliteit van de arbeid in de Twentse katoennijverheid onder de loep, Blonk schrijft een sociografie over Enschede, Grobben schenkt in zijn eerste hoofdstuk enige aandacht aan de sociale conflicten in Twente van vòòr 1880 en Coronel belicht de leef- en arbeidsomstandigheden.
Doch de sociale verhoudingen en het protest van de arbeiders –met name het verband tussen beide verschijnselen- in de overgangsperiode tussen pré- en modern kapitalisme worden grotendeels over het hoofd gezien.
Over de stakingen in de Twentse katoennijverheid bestaan publikaties, die zich concentreren op de periode nà 1880, zoals die van Harmsen , Fischer en Grobben. Tot op heden is er nog geen die de sociale protesten van de arbeiders in de Twentse katoennijverheid in de periode 1860-1880 als centraal thema heeft.
Het beeld dat de literatuur over de Twentse katoenarbeider in de door ons besproken periode geeft, wordt beheerst door de gedachte dat de arbeiders geen klassenmentaliteit zouden kennen, onbewust waren van de kapitalistische verhoudingen en de sociale ellende die de industrialisatie, de stoomfabrieken en bovenal het kapitalisme met zich mee brachten en dit vervolgens lijdelijk over zich heen lieten komen.
Hun machteloze verzet richtte zich eerder op het behoud van het bestaande, c.q. herstel van een voorbij verleden dan op progressieve verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Volgens Boot waren de arbeiders slechts bereid tot verzet als het om de hoogte van de lonen ging. De enkele verzetspogingen zouden van een spontaan, kleinschalig en rellerig karakter zijn en voor de arbeiders niet tot resultaten hebben geleid. Ook de reactie van de burgerij en andere groeperingen op het sociaal protest van de arbeiders wordt zwaar onderschat.
De rol van de burgerij wordt als passief gezien. De stakingen werden door de burgerij als onschuldig beschouwd, deelname van de burgerij aan de oproeren wordt niet vermeld, van hervormingsvoorstellen van hun kant zou geen sprake zijn want de fabrikanten waren de initiatiefnemers van de sociale maatregelen ten behoeve van de arbeiders.
{mospagebreak}Het bovenstaande beeld tracht ik te corrigeren met behulp van de volgende deelvraagstellingen. Vormden de Twentse arbeiders, die tot protest overgingen, een homogene sociale klasse die zich bewust was van de verscherping van de sociale tegenstellingen in Twente ? Waren de motieven, die de textielarbeiders tot verzet aanzetten, zelf ingegeven of speelden andere factoren een rol ? Hoe reageerden de fabrikanten en de burgerij in Twente op de oproeren van de arbeiders ?
In een bijlage wordt een overzicht gegeven van de gesignaleerde stakingen en oproeren. Helaas was het niet altijd mogelijk de volledige gegevens te achterhalen.
2. Van arbeider naar fabrieksarbeider
Vòòr de grote trek naar de fabrieken vormden de arbeiders in Twente een heterogene groep, die bestond uit ambachtslieden, boeren-wevers en boeren. De landbouw was het hoofdmiddel van bestaan, het handbedrijf en de gezinsproduktie vormden een extra verdienste. Werknemers in de nijverheid, met name de thuiswevers, waren geen echte fabrieksarbeiders en konden in bepaalde opzichten ook niet gerekend worden tot de ambachtslieden.
Met de groei van de katoennijverheid in Twente na 1830 verrezen ‘lokalen’ (manufacturen), voorlopers van de stoomfabrieken, waarin zij die thuis geen plaats en kapitaal hadden voor een weefgetouw onder toezicht werden opgeleid tot wever, een plaats vonden.
Binnen de groep van fabrieksarbeiders ontstond een onderscheid tussen enerzijds de huiswevers die in de huisindustrie ervaring hadden opgedaan en de boeren die van het platteland werden gerukt. Anderzijds bestond er een groep Belgische, Duitse en Engelse arbeiders die ervaring hadden opgedaan in stoomfabrieken. De arbeiders uit het grensgebied van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel, waren vooral overgegaan van de handweverij naar de gemechaniseerde weverij en niet uit de landbouwsector afkomstig.
De invoering van de stoomkracht omstreeks 1850 wekte in Twente geen onrust, omdat men het vermoeden had dat de groeiende textielnijverheid een beroep op de arbeidsmarkt zou blijven doen. Nergens wordt melding gemaakt van de vernieling van stoommachines door Twente arbeiders in tegenstelling tot in het buitenland , waar deze vorm van protest, ook wel bekend onder de naam ‘Ludisme’, vaak voorkwam.
Er bestonden verschillende groepen arbeiders, elk gekenmerkt door een eigen mentaliteit en dientengevolge andere instelling ten aanzien van fabrieksarbeid. De lonen oefenden de grootste aantrekkingskracht op de boeren-wevers uit, temeer daar het aan alternatieve bronnen van bestaan in de landbouw ontbrak. De boeren-wevers, gedwongen om in de fabriek te werken, waren bereid een deel van hun zelfstandigheid en traditioneel bestaan op te geven.
De stedelijke ambachtslieden hadden de textielnijverheid als hoofdmiddel van bestaan. De textielnijverheid had zich echter ook gevestigd op het Twentse platteland, omdat daar geen strakke gildebepalingen van kracht waren. De ambachtslieden in de Twentse steden verdwenen allerminst, terwijl veel werkzaamheden in de stoomfabrieken zich niet voor mechanisatie leenden.
Zij werden gelokt door nieuwe soorten gespecialiseerd en relatief goed betaald werk, zoals constructie en onderhoud van machines. Zij waren nooit volledig afhankelijk geweest van het boerenbestaan en voelden zich minder aan dit bestaan gebonden, doch koesterden de hoop om met de fabrieksarbeid een duurzaam bestaan op te bouwen.
De migranten van boerenafkomst, boeren die zelf land bezaten, zagen de fabrieksarbeid als een tijdelijke overbrugging van een moeilijke periode in hun bestaan. Voor de kleine boeren en landarbeiders die geen deel uitmaakten van een boerengezin vormde de fabrieksarbeid een noodzakelijke inkomstenbron. Zij waren niet doordrongen van een volledig agrarische mentaliteit en vestigden zich in de fabrieksarbeidersbuurten in de stad. De Belgische, Duitse en Engelse arbeiders hoopten vooral op betere posities en verdiensten in de fabrieken.
{mospagebreak}3. De verhoudingen vòòr 1860
Om de reactie van de fabrieksarbeiders op de misstanden in de stoomfabrieken te begrijpen, houden wij ons eerst bezig met de periode voordat het klassebewustzijn zijn eerste voorzichtige schreden op Twentse bodem heeft gezet.
De boeren en wevers hadden geen ervaring in de stoomfabrieken opgedaan en hoewel de verhoudingen vroeger niet ideaal waren, deed de herkomst uit het feodaal-patriarchale milieu de arbeiders vooralsnog gelovendat de ondernemers van de stoomfabrieken als weldoeners het beste met hen voor hadden en de verhoudingen waren in het algemeen gemoedelijk.
Een bevestiging vinden wij in het oordeel van Willem de Clerq, directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en een van de weinige ondernemers die de arbeiders wilde behoeden voor de gevolgen van het in Engeland ontstane ‘factory system’, met lange werkdagen, ongezonde omgeving en kinder- en vrouwenarbeid.
In het handbedrijf –met name de door de vertegenwoordiger van de fabrikeur georganiseerde nijverheid- was er sprake van relletjes, afpersing en satanische knevelarij, zoals de uitbetaling in voor de patroon onverkoopbare beschadigde servetten in plaats van loon. De patroons waren echter nog kleine burgertjes met weinig middelen, die bij de geringste tegenslag de werkzaamheden moesten staken. Lange tijd bleef de huisnijverheid –die zich tot 1859 wist te handhaven- een rem op het ontwikkelen van het klassegevoel.
De huisindustrie bleef bij velen een aanvulling op het boerenwerk en zij die in de omtrek van de stad werkten, kregen bij het inleveren van het doek en het in ontvangst nemen van nieuwe garens gemakkelijker contact met de kleine werkgever. Misstanden zoals loonsverlaging, boeten, uitbetaling in Pruisisch geld –in 1817 in Twente ingevoerd. - het verbod om gilden te vormen en de komst van concurrerende buitenlandse arbeiders, maakten dat de arbeiders zich allesbehalve behaaglijk voelden, maar dit vooralsnog niet uitten.
{mospagebreak}De overleveringen die A. Engels –een katholiek voorman- optekende getuigen van deze geest. Hoe gering de verdiensten ook waren, de patriarchale verhouding tussen werkgever en arbeiders- elkaars lot kennende- scheen er niet echt onder te lijden. Een strijd van arbeid tegen kapitalistische verhoudingen was het nog niet.
4. Verscherping van de tegenstellingen tussen fabrikant en arbeider en de motieven voor arbeidersverzet.
Tussen de jaren 1860 en 1880 zou de stoommachine de oude werkwijze en sociale verhoudingen grotendeels vernietigen. Het blijft moeilijk aan te geven hoe uit de heterogene groep Twentse textielarbeiders een meer homogene groep ontstond welke beschikte over zelfbewustheid en strijdbaarheid. Eeuwenlange ondergeschiktheid kon niet in een oogopslag opgedaan worden gemaakt.
Toch zou uit hun midden de roep om een samenleving klinken, waarin de schrille tegenstelling tussen de rijkdom van de fabrikanten en de armoede van de arbeiders niet meer zou bestaan. Was er tevoren geen groot onderscheid in leef- en werksituatie tussen patroons en arbeiders, tegen 1860 vormden de eersten een aparte klasse, die zich door de materiële bezittingen en een parvenu-achtige levenswijze onderscheidde van de arbeiders. Voor het eerst kregen de arbeiders oog voor de verdeling van de rijkdom, de morele verwording van hun patroons en de onrechtvaardige behandeling die hen ten deel viel.
Voor de fabrikanten was het zaak zich van een blijvend fabrieksproletariaat te verzekeren. Grondaankopen van de fabrikanten hielden gelijke tred met de industrialisatie. Zij konden daarbij profiteren van de markeverdelingen, die in de periode 1835-1875 plaatsvonden.
De stedelijke ondernemers waren voor de ontbinding van de marken, omdat deze een intensievere landbouw zou veroorzaken en daarmee een dichtere bevolking, waaruit zij meer werkkrachten voor hun bedrijf verwachtten. Op het platteland bestond reeds een proces van uitstoting van overtollige arbeidskracht en uitkopen van kleine boeren. De laatsten verloren boerderij en land.
Rijke fabrikanten speelden een rol in deze ontwikkeling doordat zij gronden van kleine boeren aan de rand van de stad aankochten. Oude koopakten wijzen in deze richting. Daarnaast creëerde de ontginning van woeste gronden ook ruimte voor de aanleg van spoorwegen.
De ontwrichting van het traditionele sociale milieu werd door de fabrikanten bovendien in de hand gewerkt door –naast het verplicht stellen van arbeid op kerkelijke feestdagen- de bouw van arbeiderwoningen en arbeiderswijken. In 1852 werd met de bouw van de Koninklijke Stoomweverij en 80 arbeiderswoningen te Nijverdal begonnen die in 1853 voltooid werden.
In 1861, toen de toepassing van stoomkracht in de weverij opkwam, richtten fabrikanten de ‘Enschedesche Vereeniging tot verschaffing van woningen voor den arbeidenden stand’ op. De vereniging liet 145 woningen in vijf rijen bouwen, de zogenaamde ‘Krim’. In 1862 werd een begin gemaakt met de bouw van 132 arbeiderswoningen in deze smakeloze arbeiderswijk.
De arbeiderswijk Sebastopol kreeg gestalte, toen op aandrang van de ‘Commissie voor Noodlijdenden van den Brand’in 1863 een veertigtal woningen voor arbeiders dicht bij de fabriek werd gebouwd. In 1866 deden de fabrikanten een nieuwe poging om woongelegenheid te scheppen door het bijeenbrengen van f 5.000,= waaruit premies werden betaald. In Nijverdal bezat Maurits Salomonson in 1872 ongeveer 140 arbeiderswoningen.
{mospagebreak}Hoewel fabrikanten trachtten een patriarchale relatie in stand te houden, werd de gezinseenheid verbroken. De huisnijverheid was een familie-bedrijf. In de fabrieken was sprake van meer gespecialiseerde arbeid, waarbij groepen arbeidskrachten moesten samenwerken.
Door de deelarbeid viel de fabriek uiteen in een reeks van afdelingen, die elk haar eigen vakbekwaamheid en eisen stelde. De nog niet zover doorwerkende specialisering maakte het makkelijker van fabriek te wisselen zonder loonsverlies door ongeoefendheid.
De kinderlonen uit fabrieksarbeid bevorderde de zelfstandigheid van de kinderen. De betrekking tussen ouder en kind hield dan op te bestaan. Wel bleef het kind in het ouderlijk huis. Het betaalde kostgeld en beschikte over eigen inkomsten. Werkende moeders konden zich meer aan de opvoeding van de kinderen wijdden. De kroegen en de gedwongen winkelnering bevorderden het alcolholgebruik, hetgeen de familie-eenheid niet ten goede kwam.
De fabrikant wilde zich blijvend van een fabrieksproletariaat verzekeren in de buurt van de stoomfabrieken die aan de rand van de stad werden gebouwd. De tot dusverre verspreid wonende Twentse wevers werden naar de fabrieken en steden gedreven. Terwijl voorheen arbeiders en patroons door elkaar woonden, werd de segregatie –begonnen in Enschede omstreeks 1860- door de fabrikanten sterk bevorderd. Segregatie leidde tot het apart wonen van arbeiders en burgers c.q. fabrikanten. In de arbeiderswijken trokken de gegoeden weg, terwijl de armen bleven en zodoende ontstond er een broeinest van verzet.
Woningcomplexen werden gebouwd, die als ‘slums’ gezien kunnen worden en waarvan de bewoners sociaal geïsoleerd werden. Het is niet toevallig dat de stakingen die in Twente plaatsvonden, geconcentreerd waren in de nieuwe industriële centra (zie bijlage). Hier huisde het proletariaat dat alle bezittingen verloren had, in een sociaal isolement verkeerde en bovendien leed onder de meest slechte woon- en fabrieksomstandigheden. De toename van het aantal woningen hield geen gelijke tred met de bevolkingsgroei, zodat gemiddeld genomen het aantal inwoners per woning toenam. Meerdere gezinnen huisden in één arbeiderswoning. De rijke burgerij ging in de ‘schone’ wijken wonen. De arbeiders werden in de krottenwijken geconcentreerd, hetgeen het uitbreken van ziekten bevorderde.
Desondanks is Blonk van oordeel dat in de periode tot 1890 de steden niet tot haarden van verzet waren uitgegroeid. De bouw van arbeiderswoningen ging samen met klachten over hoge huren. Woekerhuren –opgelegd door fabrikanten- werden ook reeds door tijdgenoten waargenomen en veroordeeld. In een dienstbrief van de burgemeester van Almelo aan de Commissaris des Konings werd de indruk gewekt dat de hoge huurprijzen geen aanleiding tot verzet in Almelo waren.
In deze dienstbrief stond, dat de kwaliteit van de woningen goed was en dat onderzoek door de fabrikanten uitwees, dat in de buurt van Java ingeval van stilstand van de fabrieken geen huur betaald zou worden. Andere bronnen, zoals de enquête van 1890, spreken van slechte woningen in Java uit onze periode. De burgemeester van Almelo nam zijn fabrikanten in bescherming en trachtte de werkelijke motieven te verbergen achter de veronderstelde slechte economische situatie.
{mospagebreak}Ondanks de oprichting van bouwverenigingen zoals in Hengelo en Almelo in 1867, bleven de huren hoog en de woonomstandigheden slecht. De woningen dienden in de eerste plaats om voldoende arbeiders, ook van buiten Twente, aan te trekken.
Hoewel Van Schelven spreekt van het ‘voortdurend aanbouwen van goede arbeiderswoningen’ , blijkt uit andere bronnen het tegendeel. ‘In den regel worden de arbeiderswoningen in aaneengeschakelde rijen gebouwd (…) die geheel afzonderlijke wijken vormen, wat eensdeels het voortplanten van epidemieën in de hand werkt, en anderdeels de arbeidende klasse, als het ware in een soort van ghetto (…) wonen, waarin iets vernederends ligt, waarvoor de arbeider zeer gevoelig is (…) moet hij er zich aan onderwerpen, dan geschiedt dit veelal niet zonder gemor.
Met de groei van de industrie ontdekten de ondernemers dat er grote kapitalen te verdienen waren in de nijverheid. De bezitsvorm van de ondernemingen wekte de vervreemding in de hand. De tegenstelling tussen ondernemers en loontrekkers groeide. De eigenaars waren de leiders aan wie de winst toeviel. De loontrekkers verrichtten arbeid tegen een vastgesteld loon.
De arbeiders wisten dat in het stoombedrijf geld te verdienen was en meenden recht te hebben op een groter aandeel. De in vergelijking met de textielnijverheid in technisch en sociaal opzicht vooruitstrevende metaalindustrie, onder leiding van de Hengelose industrieel Stork, maakt de arbeider van de tegenstellingen bewust. Er werden hogere lonen in de metaalnijverheid betaald. Het gevolg was een standsverschil tussen metaal- en textielarbeider. Het feit dat de winst aan de fabrikanten toeviel zal het gevoel uitgebuit te worden hebben gevoed. Vandaar dat in de stakingen regelmatig looneisen naar voren werden gebracht.
Volgens Verberne daarentegen, zou de afwezigheid van elke arbeidersactie het lage loonpeil hebben veroorzaakt. Wegens een geweigerde looneis braken bij meerdere fabrikanten in Twente stakingen uit. Er moet toen al een zekere leiding zijn geweest, want de stakers gingen elke morgen naar een gemeenschappelijk trefpunt.
{mospagebreak}De verwachte bestaanszekerheid bleek een wassen neus. De toename van het aantal arbeidsplaatsen in de industriële sector lag lager dan de toename van de totale bevolking in Twente. Er heerste in Twente een arbeidersoverschot: de reserve-armee was gevormd. Met de ontwikkeling van de fabrieksarbeid trad ook de vrouw tot de fabrieksarbeid toe. Niet alle gehuwde arbeidsters arbeidden het gehele jaar door, doch velen vielen als noodhulp in indien arbeiders ziek waren. Ook kinderarbeid was noodzakelijk om de gezinsinkomsten aan te vullen.
Nadeel van de invoering van de stoomkracht was, dat wanneer de vraag daalde, er een conjucturele werkloosheid ontstond. De lonen mochten dan gemiddeld hoger liggen in het stoombedrijf, de werkloosheid, het ontslag op staande voet, de onmogelijkheid om het inkomen met opbrengsten uit de landbouw aan te vullen, maakten dat de arbeiders brodeloos werden.
De katoencrisis (1861-1865) leidde tot ontevredenheid onder de arbeiders , welke gecombineerd met stijgende kosten van levensonderhoud het verzet aanwakkerde. ‘Uit dezen toestand wordt wantrouwen, misnoegen en haat tegen de meer gegoeden geboren, en ontstaat die voortdurende neiging om zich tegen de uitvoering der wetten te verzetten, die soms zelfs de omverwerping der gevestigde orde van zaken ten gevolge heeft’.
Nu de bestaanszekerheid op losse schroeven stond, vormde ontslag een extra reden tot verzet. Dit godl ook voor ontslag van collega’s. ‘Na de opschudding (in Twente n.a.v. het ziekenfonds) zou het afdanken des fabrieksarbeiders welligt eerder aanleiding kunnen geven tot ongeregeldheden’. Hoewel Ponsteen van oordeel was dat tijdens de katoencrisis Salomonson voldoende sociale maatregelen trof , leidde de katoencrisis tot ontevredenheid onder de arbeiders.
Naar aanleiding van de rellen te Nijverdal gaf burgemeester Campbell –bij wie de ruiten werden ingegooid- aan Salomonson het advies niet direct tot harde maatregelen over te gaan zoals ontslag, daar dit de arbeiders tot nieuwe acties aanzet: “Ik (Campbell) geef in ernstige bedenking in het vervolg, nooit meer bij den aanvang eener beweging (…) de fabriek stil te zetten !. Stilstand van de fabrieken werkte volgens hem in het voordeel van de arbeiders, daar ‘bedaarde wevers’zodoende gedwongen werden het werk te stoppen en zich aan te sluiten bij ‘de klute ontevredenen’.
De loonafhankelijkheid ging met andere misbruiken gepaard, welke met de komst van de fabrieken verergerden. De belangrijkste waren de uitbetaling in minderwaardig geld of bonnen en gedwongen winkelnering. In 1872 protesteerden de Enschedese fabrikanten tegen de bewering van de Minister van Justitie, als zouden de stakingen in Twente door laatstgenoemde zijn veroorzaakt.
Alleen te Borne, een zeer landelijke gemeente met als enige belangrijke werkgever Spanjaard, zou gedwongen winkelnering nog bestaan. De Minister van Justitie zou, blijkens een verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, van oordeel zijn dat ‘en wat de ontevredenheid in sommige fabrieken heeft gaande gemaakt is niet het streven naar loonsverhoging, maar de omstandigheid, dat arbeiders niet in geld maar gedeeltelijk in bons worden betaald, waardoor den arbeider de vrije beschikking over hun loon werd onthouden, hetgeen Spanjaard op zijn beurt betwistte.
De Bornse arbeiders vielen met een niets ontziende woede de woningen van hun ‘heeren Spanjaard’ aan en vernielden alles wat er te vernielen viel. Van de zijden gordijnen werden vlaggen gemaakt en zo trok men van het ene huis naar het andere. Dat de ‘heeren’ er goed van af kwamen dankten zij aan het verstoppertje spelen. Na de stakingen in 1872, kwam de gedwongen winkelnering en de uitbetaling in Pruisisch geld bij Spanjaard in Borne niet meer voor.
Dat de arbeiders ondanks de bereikte resultaten ook zware verliezen moesten incasseren, blijkt uit de kwestie van de uitbetaling in Pruisisch geld in Almelo. In 1890 was daar het misbruik, eens de parasiet van de katoennijverheid genoemd, nog altijd niet verdwenen. De tussenkomst van de regering en de staatscommissie, die in 1856 over deze aangelegenheid rapporteerde, had geen effect. Eerst in 1873 kwamen de Enschedese fabrikanten overeen, geïmponeerd door de stakingen uit het jaar daarvoor, te stoppen met deze wijze van betaling.
Fabrikanten kondigden in Almelo in 1874 aan weer met Pruisisch geld te betalen. Het agio was erg hoog en zou een verlies van drie procent voor de arbeiders betekenen. Arbeiders zonden aan de alle fabrikanten een kennisgeving dat zij in Hollandse munt wensten te worden uitbetaald, terwijl zij om de tussenkomst van burgemeester en wethouders verzochten.
{mospagebreak}In september 1874 hadden de meeste fabrikanten uit Almelo hun betalingen in Pruisisch geld courant gedaan, zonder veel verzet van de arbeiders. In januari 1875 brak echter een staking uit onder de arbeiders in Almelo. Zij eisten betaling in Hollands geld en afschaffing van het premiestelsel. Bijna alle fabrieken stonden stil in Almelo.
De politie hoefde nog niet tussenbeide te komen. Men vreesde dat de arbeiders het niet lang zouden volhouden, omdat zij over onvoldoende inkomsten beschikten. Ondanks geldelijke steun van collega’s uit Enschede, waren zij onvoldoende georganiseerd en beschiken over ontoereikende fondsen, zodat zij door honger gedwongen werden te zwichten.
Nadat de arbeiders de ruiten van de fabriek van H. ten Cate & Co. hadden ingegooid, gingen ook de arbeiders van Ten Cate tot staken over. Ook in het naburige Vriezenveen vonden stakingen plaats. De krant liet sympathie blijken voor de arbeiders. ‘Indien de werkstakers niets vragen dan betaling in Hollandsch geld, vragen zij geen gunst, maar recht’.
L. ten Cate & Zn. Ging over tot betaling in Hollands geld. In september 1874 betaalden alle fabrieken te Almelo, Enschede, Oldenzaal en Nijverdal in Hollands geld. Enkele weken later gingen de Almelose fabrikanten Ten Cate, Ten Bruggecate, Gebr. Scholten en H. en B. Scholten echter over tot betaling in Pruisisch geld.
In tegenstelling tot de wevers maakten de spinners geen bezwaar omdat hun lonen hoger waren. De arbeiders van de Sophiafabriek S.J. Spanjaard te Borne dienden een verzoekschrift bij de fabrikanten in, waarin zij verzochten het voorbeeld van de Almelose fabrikanten om de lonen voortaan in Pruisisch geld uit te betalen, niet te volgen, omdat dit in het nadeel van de arbeiders was.
In februari 1875 lieten de arbeiders een ingezonden stuk in de Twentsche Courant plaatsen. De arbeider zou ‘uit Nationaal gevoel een [walgen] voor een muntstelsel te werken, waar hij nergens in zijn geliefkoosd vaderland mede teregt kan komen; een muntstelsel van een vorst, die nog voor eenige jaren de grenzen van ons vaderland verontrustte (…) Nogmaals Heeren fabrikanten ! Wij hopen dat wij voor u voor Hollandsch geld zullen toonen te zijn “Uwe onderdanige arbeiders”.
De fabrikanten uit Almelo boden de arbeiders aan, nadat allereerst het werk op de gewone voorwaarden zou zijn hervat, bij meerderheid van stemmen uit te maken of zij tegen drie procent vermindering van loon betaling in Hollandsch geld wilden ontvangen. De arbeiders wilden van zo’n schikking niets weten.
De werkstaking in Almelo duurde voort. De spinnerij van de Almelose stoomkatoenspinnerij moest als gevolg van de stilstand van de weverijen de produktie staken. Uiteindelijk werd in februari 1875 op bijna alle fabrieken in Almelo het werk hervat. De uitslag van de schikking was niet erg voordelig voor de arbeiders: òf werkhervatting op de gewone condities zonder premiestelsel òf betaling in Hollands geld met één cent per stuk afslag, hetgeen een korting van vier procent betekende.
{mospagebreak}In maart 1875 deelde de directie mee, dat zij haar arbeiders in Hollands geld zou betalen onder korting van vier procent.
De straffe discipline in de fabrieken leidde tot klachten tegen de opzichters die uitvoerders van het stelsel waren waarvoor zij de verantwoordelijkheid afwentelden.
Met klachten konden de arbeiders –gezien de toenemende afstand tussen arbeider en ondernemer- echter alleen terecht bij de zelfde bazen. Vooral in onze periode vormde dit systeem een probleem. De arbeiders, opgegroeid op het platteland, waren niet gewend aan de strakke fabrieksdiscipline en vaste werktijden. Het begon in Nijverdal waar de slechte grondstoffen en de uitbetaling in Pruisisch geld tot ontevredenheid leidden en een nieuw boetenstelsel de emmer deed overlopen.
De baas die ook het doek innam en de garens uitreikte was geen beminde persoonlijkheid. Het nieuwe boetenstelsel moest de fabrieksdiscipline er bij de arbeiders in hameren. De grootste grief was het opleggen door de bazen van boeten voor weeffouten en onvoldoende schoonhouden van de machines, zonder dat de getroffene erbij aanwezig was.
Slecht garen leidde tot weeffouten, hetgeen de fabrikant via boetes op het loon weer verhaalde op de arbeiders. Vandaar dat klachten over slecht garen tot oproeren konden leiden. Fabrikant Scholten uit Almelo, zwaar getroffen door de opstootjes in zijn woonplaats Almelo, weet de oproeren aan het lakse optreden van de burgemeester. De burgemeester van Almelo, Kloppenburg, was echter van oordeel dat de fabrikant de oproeren aan zich zelf te wijten had, aangezien ‘een drietal jaren geleden [1869] eenige arbeiders die over sobere verdiensten, door het verwerken van slechte garens, kwamen klagen van den adressant (fabrikant Scholten) ten antwoord ontvingen: ‘zoolang je nog karnemelk en roggebrood hebt, is het zoo slim niet !’
Ook het opdrijven van de produktie was voor de fabrikant een methode om de verdiensten van de arbeiders te beknotten. Arbeiders protesteerden nadat de fabrikanten een minimale produktie-omvang hadden vastgesteld. Bij overschrijding daarvan werd een premie gegeven.
Deze werd betaald uit loon, dat andere arbeiders onthouden werd waardoor het bloedgeld werd genoemd.Het oprichten van een Enschedees begrafenis- en ziekenfonds in 1867, maakte duidelijk dat de arbeiders niet van dwang gediend waren. De fabrikanten hadden door dwangmiddelen vooral hun eigen belangen op het oog en van het loon van hun arbeiders een assurantie-premie voor zichzelf gemaakt, dat de fabrikanten vrijwaarde tegen schade en nadeel bij ziekte van hun werkvolk.
Terwijl de Nieuwe Rotterdamsche Courant sprak van een ‘verkeerd begrip van een zaak die hun (arbeiders) waarachtig belang betreft’ , had de Arnhemsche Courant meer sympathie voor het protest van de Twentse arbeiders. In de fabrieken werd een oproep geplakt, waarin de arbeiders werd gevraagd op te geven voor welke klasse zij in het fonds wilden deelnemen. De arbeiders begrepen dat zij de keuze hadden tussen deelname in het fonds of werkstaking.
Het hoge aantal leden dat het Utrechts Begrafenisfonds onder de arbeiders in Twente telde, geeft aan dat zij de werking van een dergelijke instelling goed begrepen. Typerend is ook de kritiek op de gebrekkige armenzorg in Twente, zoals uit de Arnhemsche Courant blijkt. De wevers konden door de diaconieën in Twente enigszins worden onderhouden, maar waren daarnaast aangewezen op fondsen van buiten Twente. De arbeiders in Twente beschikten bovendien niet over een pensioenfonds. Zo had een arbeider, een dagloner van 73 jaar oud, ondanks bemiddeling van zijn baas en premiebetaling gedurende vijftig jaar, geen recht op armenzorg omdat hij een buitenlander was.
De arbeiders hadden bezwaar tegen de hoge contributie die op hun lonen werd ingehouden en de gedwongen deelname, laatstgenoemde onder bedreiging van ontslag: ‘De inrigting van een ziekenfonds, volgens de werklieden op te kostbaren en onpraktischen voet, de oorzaak of althans het voorwendsel van hun verzet, daar zij zich noch geneeskundige hulp, noch een bijzonderen geneesheer willen doen opdringen. Een Enschedese fabrikant, die anoniem wenste te blijven, zou hebben gezegd: ‘Als gij niet aan ons fonds deelneemt, kunt gij bij mij geen werk krijgen’.
De Arnhemsche Courant vond de gedwongen deelname en de inhoudingen op het loon onredelijk. De arbeiders zouden over hun eigen geld moeten kunnen beschikken. De Enschedese fabrikant verdedigde zich door te melden dat de lonen in Enschede hoog waren door gebrek aan arbeiders en dat de zelfstandigheid van de arbeiders nagestreefd werd ‘door hun zelven het geheele bestuur van het ziekenfonds in handen te laten’. Het ziekenfonds zou ‘onder beheer van een bestuur uit de leden fabrieksarbeiders gekozen’ zijn. Het is onwaarschijnlijk dat de fabrikanten dit uit eigen vrije beweging hebben voorgesteld.
Wellicht dat het een gevolg van de oproer rond het ziekenfonds was, want na de rellen zouden eigen fabrikanten terug gekomen zijn op de gedwongen deelname. De Minister van Binnenlandse Zaken was van oordeel dat bij ‘dergelijke fondsen moet vrijwillige deelname op den voorgrond staan’. De bedreiging met ontslag moesten de fabrikanten laten varen omdat ook de statuten niet over verplichte deelname spraken. De wekelijkse inhouding van het loon moest de instemming van de arbeiders hebben. Ondanks deze overtuiging bleek uit een dienstbrief van een dag later, dat de fabrikanten bij niet deelnemen met ontslag bleven dreigen.
Het feit dat de Commissaris des Konings zich afvroeg of de fabrikanten op hun voornemen zouden terugkeren, geeft de machtige positie van de fabrikanten in Twente weer. Uiteindelijk zouden de arbeiders het ziekenfonds ‘bij welker tot stand koming hij zoo fel bestreed’ leren waarderen, ‘daar de toetreding geheel vrijwillig is’.
{mospagebreak}Naast principiële bezwaren tegen de uitgangspunten van het ziekenfonds, hadden de arbeiders grote moeite met de benoeming van een protestantse geneesheer. Zij wensten dat een katholieke geneesheer werd aangesteld.
Almelo beleefde in 1870 een conflict tussen de fabrikanten en de katholieke arbeiders met als inzet de verplichting om ook op katholieke feestdagen te werken.
Laatstgenoemden werden gesteund door deken Reigers te Almelo. De andere geestelijken echter accepteerden het gezag van de fabrikanten en verleenden de arbeiders dispensatie van de Heer om ook op kerkelijke feestdagen te mogen werken. In Enschede werden in 1874 bij de firma Stroink-Blijdenstein 35 katholieke arbeiders ontslagen, omdat zij op Heilige Sacramentsdag weigerden te werken. De ‘bannelingen’ werden opgenomen in de fabrieken Van Heek & Co., Stroink & Co. en Schutte.
De fabrieksarbeid en de overige ellende brachten een grotere behoefte aan ontspanning met zich mee, terwijl deze steeds minder werd toegestaan. Zo waren cholera –gevolg van de krottenbouw- en angst voor ongeregeldheden de aanleiding om het houden van kermissen te verbieden. Naar aanleiding hiervan ontstonden ernstige ongeregeldheden in Almelo en ‘verzamelde zich onder gezang en getier een troep van ongeveer 150 man, meest allen ambachtslieden en eenige fabrieksarbeiders’. De ene reactie lokte de andere uit.
De ondrukking van de opstanden door geweld en het stationeren (…) van troepen te Delden zonder bepaalde noodzakelijkheid, alligt tot verkeerde gevolgtrekkingen en tot spanning zou leiden’, aldus de Minister van Oorlog. Tijdens de oproeren bleek al spoedig dat de overheid niet geheel kon vertrouwen op de manschappen van de plaatselijke schutterij.
Een aantal van hen werd in Almelo en Enschede veroordeeld, omdat zij niet op de alarmslag waren opgekomen om de door de fabrieksarbeiders verstoorde rust te helpen herstellen. Daarom ondersteunde de Enschedese gemeenteraad een poging om in Twente een militaire bezetting te krijgen van 150 à 200 huzaren met als standplaats Hengelo. De ondernemer Stork tekende tevergeefs bezwaar aan tegen de stationering van ‘een detachement huzaren’ in Hengelo. In Hengelo waren geen ernstige oproeren, mede te danken aan de mildere houding- althans in onze periode –die Stork jegens zijn arbeiders innam.
De stad Hengelo wilde de kosten van inkwartiering niet dragen. Bovendien zag Stork liever niet dat zijn metaalarbeiders over een kam werden geschoren met de textielarbeiders. Fabrikanten die te maken hadden met arbeidersrellen waren eerder geneigd de hulp van militairen in te roepen. Het waren immers vooral hun eigendommen die werden vernield, zoals die van J. Scholten.
5. De inbreng van de kleine burgerij en de socialisten in de oproeren.
Volgens Heslinga was het proletariaat in Twente zo ellendig en gedegenereerd, dat het niet in staat was de roepstem van het socialisme te verstaan. Volgens de literatuur bereikte het socialistische gedachtengoed Twente pas ná 1880, hetgeen een ommekeer in de geestesgesteldheid van de arbeiders in Twente bewerkstelligde.
De economische ontsluiting door ondermeer de aanleg van spoorwegen, het optreden van de Socialistische Internationale, de komst van buitenlandse arbeiders uit gebieden waar het socialisme in een verdergevorderd stadium verkeerde, de aandacht in de Twentse kranten voor het socialisme, de aanwezigheid van socialistische voormannen in Overijssel en het feit dat de ontwikkelden onder de arbeiders konden lezen, dit alles bevorderde de geestelijke ontsluiting van de arbeiders en wijst erop dat het socialisme in Twente al eerder bekend was. De opvatting dat de niet-Twentse arbeiders in de jaren tachtig de socialistische gedachten voor het eerst in Twente introduceerden , is dan ook onjuist.
De plaats welke de katoenindustrie innam op de wereldmarkt, bracht de fabrikanten in aanraking met de Duitse en Engelse industriëlen. Dit contact leidde tot een geestelijke inlijving in de in die landen heersende grootindustriële en kapitalistische geest. Het gaf aanleiding tot een egoïstisch handhaven van het heersersstandpunt in de kringen van de fabrikanten en een min of meer revolutionaire stemming in de arbeiderswereld. Voor de veranderende sociale verhoudingen had de geestelijkheid spoedig oog. Dit werd in de hand gewerkt doordat hun parochianen, voorzover zij bij de industrie waren betrokken, bijna zonder uitzondering tot de arbeiders behoorden.
Een Twents priester, pastoor te Delden van 1828 tot 1867, had een goed zicht op de misstanden. Hij schreef dat de fabrikanten de arbeiders uitzogen; ‘Werk, verteer en sterf, alles in der haast, ten voordeele van Uwen meester’ , was volgens hem de opvatting van de ondernemers. Hij zag duidelijk de schaduwzijden die het uitbreiden van de textielnijverheid met zich meebracht en uitte zijn medeleven met de arbeiders.
Ten tijde van het uitspreken van de woorden van de Twentse pastoor waren werkstakingen nog schaars in Nederland. De Socialistische Internationale was stevig gegrondvest in België van waaruit de socialistische beweging ook in Nederland werd geintroduceerd. In 1871 werd de afdeling Nederland van de Internationale in Amsterdam opgericht, het Nederlandsch Werklieden Verbond. Uitgangspunt vormde het geloof in het bestaan van de klassenstrijd.
Het spontane verzet tegen de bezittende klasse zou steeds massalere vormen aannemen en daarmee de weg banen voor de omverwerping van het kapitalisme en de vestiging van het socialisme. Het ging hierbij voor alles om het wekken en ontwikkelen van het revolutionaire klassenbewustzijn van de arbeiders.
{mospagebreak}De Socialistische Internationale begon in 1872 een grote bedrijvigheid om via werkstakingen verbetering in de arbeidsvoorwaarden voor de arbeiders te realiseren. Volgens Willem Hubert Vliegen, arbeider en socialist, vielen de betrekkelijke talrijke stakingen, ook in Twente, samen met de aanwezigheid van de Internationale ‘die enige geest in de arbeiders bracht’. Laatstgenoemden werden zich steeds meer bewust van de sociaal-economische kloof tussen hunzelf en de fabrikanten.
In 1872, het jaar dat in Enschede de eerste sproren van arbeidersorganisatie te bespeuren zijn, werd het in Twente erg roerig. Er werden regelmatig onderhandelingen over loonsverhoging gevoerd, dikwijls met gunstig resultaat. Gewoonlijk werkten werklieden uit een bepaald vakgebied gezamenlijk. ‘De Werkman’, orgaan van de Nederlandse sectie van de Internationale en voor het eerst verschenen in 1868, berichtte over deze (Twentse) stakingen. In 1872 staakten de sigarenmakers te Amsterdam, de bouwvakarbeiders in Arnhem, de timmerlieden, metselaars en schilders in maart 1872 te Almelo en Oldenzaal en de textielarbeiders in geheel Twente.
De Twentse textielstakingen, soms massaal, hebben het karakter van gewelddadige uitbarstingen. ‘De Werkman’ meldt begin jaren zeventig, vooral in 1872, vele door loonconflicten veroorzaakte werkstakingen uit alle streken van ons land, waaronder Twente.
Wij kunnen slechts gissen naar het percentage van de Twentse fabrieksarbeiders dat de oude maatschappijbeschouwing verlaten had en voor het socialisme gewonnen was. Ik vermoed dat de meerderheid tamelijk onverschillig stond, dat wil zeggen dat zij zich zo nu en dan op sleeptouw lieten nemen zonder overigens definitief kleur te bekennen. Het zingen van nationale frasen wijst hier ook op. Een deel van de arbeiders zal op grond van religieuze motieven vijandig tegenover het socialisme gestaan hebben. Anderen hielden zich verre van het socialisme, omdat zij of hun familieleden ‘onder de heeren’ stonden of omdat zij promotie tot baas begeerden.
{mospagebreak}Het socialisme had dus reeds voor het optreden van de door Domela Nieuwenhuis opgerichte Sociaal Democratische Bond (S.D.B.) Twente bereikt. De stelling dat in Twente het optreden van de S.D.B. vooraf ging aan de eerste vakbeweging is trouwens niet correct. Wel kwam met het sterk georganiseerde optreden van de S.D.B. het socialisme in Twente in een stroomversnelling terecht. De uit Hengelo afkomstige Gerrit Bennink was in Twente de woordvoerder van de S.D.B.
In november 1880 begon een briefwisseling tussen Domela Nieuwenhuis en Bennink die mede hierdoor van het sociaal-liberalisme overstapte op het socialisme. Hij schreef vanaf september 1882 zijn ‘Brieven uit Twenthe’ in ‘Recht voor Allen’, het blad van de S.D.B. In het eerste nummer van ‘Recht voor Allen’, verschenen op 1 maart 1879 in Amsterdam, werd het socialisme niet genoemd, maar iedereen begrijpt waar het heen wil, aldus Vliegen.
Politiek gezien waren de arbeiders en de kleine burgerij omstreeks 1860 van de meeste rechten verstoken. Via de bazen werd op de arbeiders pressie uitgeoefend bij staatkundige en kerkelijke verkiezingen. Het censuskiesrecht zoals dat rond 1850 bestond, gaf slechts politieke invloed aan de grote bourgeoisie in handel en industrie, maar de middenklassen eisten een aandeel in de politieke macht op. De uitbreiding van het stemrecht werd voorgestaan.
Ook de algemene kiezersvergadering te Almelo bekritiseerde het ministerie, dat de rechten van de volksvergadering wilde inkrimpen. De liberaal Thorbecke, het troetelkindje van de Twentse fabrikanten, was van mening dat het stemrecht voorbehouden moest blijven aan de meest vermogenden en bekwamen, waartoe de arbeiders en ambachtslieden volgens Thorbecke niet behoorden.
Toch was het niet in de eerste plaats een politieke beweging, die de vakverenigingen van arbeiders en ambachtslieden in het leven riepen. Het is autonoom verlangen naar verbetering in de arbeidsvoorwaarden waaraan deze organisaties hun ontstaan danken. Niet alleen de arbeiders, maar ook de ambachtslieden en de kleinhandelaren werden steeds meer afhankelijk van de zich ontwikkelde fabrieksnijverheid.
In 1872 werd te Enschede een vakvereniging van ambachtslieden opgericht met aanvankelijk 42 leden.
Het bestuur bestond uit vier ambachtslieden en twee adviserende leden, waarschijnlijk patroons. Gezien de overeenkomsten tussen fabrieksarbeiders en ambachtslieden –ook de ambachtslieden verloren steeds meer van hun zelfstandigheid en bezittingen en hadden te lijden onder het fabriekssysteem en de arbeidsverdeling- is er sprake geweest van onderlinge beïnvloeding en overdracht van ervaring tussen arbeiders en ambachtslieden.
Tot de loonarbeiders in de fabrieken behoorden ook de kleine ambachtslieden, die de wedstrijd met de grote industrie verloren hadden. De industriële ontwikkeling wijzigde ook hun bestaansvoorwaarden. Net als de arbeiders had de kleine burgerij te lijden onder de circulatie van de Pruisische munt.
In 1874 zouden enkele fabrikanten weer van plan zijn de arbeiders in Pruisisch geld uit te betalen. Te Goor betaalde de firma D. ten Doesschate en Zonen de lonen in Pruisisch geld, waarna er een vergadering van industrieëlen plaatsvond tot bespreking van maatregelen om alleen Nederlandse munt als standaard te gebruiken.
In een vergadering van neringdoenden uit Nijverdal in 1875 werd besloten de Pruisische thaler niet hoger in betaling te nemen danf 1,70 om zodoende de omloop van deze munt te beperken. In navolging van de fabrieksarbeiders gingen in april 1875 ook de ambachtslieden te Almelo eisen dat hun loon in Hollands geld werd betaald. Aangezien de eisen van de ambachtslieden niet werden ingewilligd, gingen zij tot staking over. Het werk werd hier hervat onder toezegging van de bazen dat zij er bij hun werkgevers op zouden aandringen dat hun debiteuren de rekeningen in Hollandse munt voldeden. De oproep van de bazen was geen succes.
In Almelo werd immers alles in Pruisisch geld berekend, zodat de invoering van Hollands geld problemen opleverde. Wanneer de werkgevers ook al geneigd waren de rekeningen in Hollands geld te betalen dan werd daardoor de circulatie van het Pruisisch geld niet beperkt, omdat enerzijds de winkels met Pruisisch geld werkten en anderzijds, omdat de concurrentei het niet toeliet een tarief in Hollands geld te creeëren.
Desondanks besloten de bazen in Almelo hun knechten de gevraagde uitbetaling in Hollands geld te doen en verbonden zij zich hun rekeningen in Hollands geld te betalen.
Behalve bij de fabrikanten brak ook bij de textielarbeiders aarzelend het besef door, dat werkgevers en werknemers niet meer dezelfde, maar tegenstrijdige belangen hadden. De overgang van het stelsel van huisindustriële voortbrenging naar fabrieksmatige produktie betekende een scherpe censuur.
De tegenstellingen verscherpten in sociaal en economisch opzicht. De christelijke kerk stelde het godsdienstige belang boven het materiaal belang en verwierp het beginsel van de belangenstrijd en ging er van uit dat er samenwerking tussen arbeiders en fabrikanten moest zijn. Immers, de produktiefactoren kapitaal en arbeid waren op elkaar aangewezen en hadden dus een gemeenschappelijke taak, namelijk het dienen van de gemeenschap.
Ondanks de diverse sociale, religieuze en principiële achtergronden, kenden de Twentse textielarbeiders dezelfde grieven van sociaal-economische aard als alle andere arbeiders, zoals lage lonen, boetenstelsel, gemis aan rechtspositie, onvoldoende bestaanszekerheid, verlies van zelfstandigheid, slechte woontoestanden en intensivering van het arbeidsproces.
{mospagebreak}Terwijl de godsdienstige belangen prevaleerden boven de materiële belangen, lag het voor de rooms-katholieke arbeiders meestal omgekeerd, voorzover het om de strijd tussen kapitaal en arbeid ging. Ook zij waren bereid tot staking en oproer naar het voorbeeld van de Socialistische Internationale.
Het besef bij fabrikanten en arbeiders dat er tegengestelde belangen bestonden, kwam enerzijds tot uiting in de schuchtere aaneensluiting van verschillende kleine groepen arbeiders en anderzijds in het zich onderling solidair verklaren van de fabrikanten, bijvoorbeeld door over te gaan tot uitsluiting. Dit is een ontwikkeling die het best is samen te vatten als een terreinverlies van het standsbesef aan het klassenbewustzijn, van de ‘Gemeinschaft’ aan de ‘Gesellschaft’. De vroegere vrij gemoedelijke onderlinge band was veranderd in een verhouding waar geen plaats was voor onderling vertrouwen en sympathie. Door het scherpe onderscheid tussen rijk en arm nam de geest van ontevredenheid toe.
Door arbeiders te mobiliseren konden de middenklassen de hogere klasse sneller tot hervormingen bewegen. Bovendien maakte het hen mogelijk ook loonsverhoging bij hun patroons af te dwingen. . Timmerlieden, metselaars en schildersknechten te Almelo bespraken de mogelijkheden om loonsverhogingen bij hun patroons af te dwingen. Hoewel Blonk de ambachtslieden als niet oproerig afschilderde, blijkt uit de berichtgeving over de arbeidersstakigen in Twente het tegendeel. Van de in conflicten geradicaliseerde ambachtslieden sloot zich een deel bij de arbeiders aan. Spanjaars sprak van ‘enkele opruijers (…) die zich nog wel onder de elite der burgerij wilden scharen’.
Fabrieksarbeiders die na een werkstaking niet meer welkom waren in de fabriek, zochten een nieuw bestaan in diverse ambachten. Hoewel zij waarschijnlijk niet erg gehecht waren aan hun oude werk, bleven zij in het begin hun vroegere collega’s uit de fabriek achter de schermen ‘opstoken’ om hogere lonen te eisen. Kort na de eerste tekenen van leven onder de ambachtslieden berichtte de Enschedesche Courant van 4 juli 1872, dat er ook een vergadering van fabrieksarbeiders zou worden belegd ter bespreking van de oprichting van een ‘fabrieksarbeiders-vereeniging’ tot onderlinge steun.
Het is niet onwaarschijnlijk dat deze vereniging in het leven was geroepen om gezamenlijk economische acties te ontketenen, omdat er reeds een ziekenfonds bestond. Mogelijk is uit deze ‘fabrieksarbeiders-vereeniging’de vereniging ‘Broederband’ontstaan, welke zich in 1889 oploste in de ‘Vooruit’, een vereniging van textielarbeiders die op initiatief van de socialisten in Enschede was gevormd, maar die leden met diverse (geloofs)achtergronden kende.
Er moet regelmatig contact zijn geweest tussen de Twentse textielarbeiders en arbeiders uit andere delen van Nederland en het buitenland. De aansluiting op het Westfaalse industriegebied door de aanleg van spoorwegen had onwillekeurig tot gevolg dat het geestelijk leven, het denken en voelen van de Twentse arbeidersbevolking van over de grens werd beïnvloed. Dank zij de aanleg van kanalen, maakten in Drenthe, Noordoost-Overijssel en Zuidoost-Groningen de verveningen tussen 1800 en 1870 een stormachtige groei door.
In deze sector werkten voornamelijk seizoenarbeiders die relatief hoge lonen konden verdienen voor dit zware werk. Een belangrijk deel van deze arbeiders kwam uit Duitsland, maar ook arbeiders uit Oost-Nederland profiteerden van de expansie in de turfgraverij.
In 1873 was de veenmaatschappij ‘Twenthe’actief in Vroomschoop, waar de lonen in tegenstelling tot in Almelo in Hollands geld werden uitbetaald. Op basis van gegevens uit het bevolkingsregister 1850-1860 trekt Rensen de conclusie dat 25% van de arbeiders in de stoomweverij van Salomonson van buiten Overijssel afkomstig was, te weten het raakgebied van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel waar de weldadigheidskoloniën gevestigd waren.
Bij gebrek aan voldoende arbeiders in de directe omgeving voor zijn in 1853 voltooide stoomweverij, trok de firma Salomonson arbeiders uit heel Nederland aan. Complete gezinnen werden overgebracht naar Nijverdal en tewerkgesteld in de fabriek. Deze arbeiders waren vooral overgegaan van de handweverij op de gemechaniseerde weverij en niet uit de landbouwsector afkomstig. In Twente bleef men lang op buitenlandse werknemers aangewezen.
Terwijl kort na 1830 de eerste stoomspinnerijen ontstonden, moest de fabrikanten 30 à 40 jaar later, bij de grote uitbreiding van de spinnijverheid, hun toevlucht nemen tot arbeiders uit Engeland, België, Zwitserland en Saksen. Duitse arbeiders waren in 1862 bij de wederopbouw van Enschede werkzaam. De arbeiders die door de ondernemers uit de fabrieken werden geweerd of arbeiders die het hoge werktempo in de door stoom aangedreven fabrieken niet meer konden volhouden, trokken over de oostgrens.
Daar was de vrijheid in de fabrieken groter –mede door verbeteringen die het socialisme in de arbeidsomstandigheden had gebracht- terwijl bovendien veel Duitse fabriekjes kampten met een tekort aan arbeiders. Aanstokers en leiders van de stakingen trokken naar Hilversum, Veenendaal of naar het over de grens gelegen Gronau en Ochtrup.
De opvatting dat de arbeidersoproeren zonder organisatie gevoerd werden is onjuist.
Niet pas na 1880 , doch ook in onze periode ontvingen de Twentse arbeiders steun van arbeiders van buiten Twente. Regelmatig werd er melding gemaakt van de deelname van ‘vreemde werklieden’ aan de oproeren.
{mospagebreak}De arbeiders uit Friesland en Noordwest-Overijssel kwamen uit gebieden waar het socialisme in een gevorderd stadium verkeerde. Dit uitte zich ondermeer in de in 1871 gevormde Provinciale Friesche Werkliedenvereeniging die als afdeling van de Socialistisch Internationale was opgericht. Met name de veenarbeiders uit het Overijsselse-Friese veengebied konden niet meer agrarisch-feodaal denken en raakten sneller ‘geïnfecteerd’ door de socialistische gedachte.
Zij waren in materieel opzicht teleurgesteld, omdat ze in de slechtste woningen in Twente werden ondergebracht. Om de arbeiders te ronselen, stelden de fabrikanten het klimaat gunstiger voor dan het in feite was. De arbeiders uit Friesland, Noordwest-Overijssel en Groningen waren teleurgesteld over het feit, dat zij in Twente hard moesten aanpakken, zonder dat ze veel kans hadden op verbetering van hun maatschappelijke positie. Hun sociale normen beantwoordden niet aan de Twentse levensomstandigheden.
Hoewel de ‘vreemde werklieden’ een aandeel hadden in de oproeren, vormt dat overigens geen bewijs voor de stelling dat alleen zij verantwoordelijk waren voor de organisatie van de oproeren. Twentse socialistische voormannen, zoals Bennink en Tusveld, manifesteerden zich in de jaren tachtig. Wel waren de patriarchale verhoudingen in Twente vòòr 1880 overheersender dan daarna.
De arbeiders uit Twente en de vreemdelingen, met name in de industriecentra, zullen geleidelijk naar elkaar toegegroeid zijn, ook in hun opvattingen. Het heilig gezag voor de fabrikanten was bij de Twentse arbeiders voor een deel verdwenen. De vreemdelingen zullen de traditionele verhoudingen als een schreeuwend onrecht hebben beschouwd.
In de grotere textielsteden in Twente zagen de autochtone arbeiders onder invloed van de vreemdelingen de traditionele verhoudingen met andere ogen. De nieuwe ideologie vond vooral ingang bij de ‘echte’ fabrieksarbeiders die in de meer uitgesproken arbeidersbuurten woonachtig waren en meer van de grond waren vervreemd. In ‘de Krim’ waren naast Twentse arbeiders, ook veenarbeiders gevestigd, ondermeer afkomstig uit Avereerst.
De meeste immigranten lieten zich niet inpassen in de sociale organisatie binnen de textielnijverheid. Ze dachten niet patriarchaal en waren veelal niet godsdienstig. Vooral zij waren gevoelig voor de socialistische gedachte. Mannen als Bennink werden hierdoor beïnvloed. Dit gold ook voor de meer ontwikkelde ambachtslieden, die tot loonarbeider waren gedegradeerd
Diverse sociale groepen, minder gevoelig voor het socialisme, leverden hun eigen aandeel in het verzet. Boeren en schippers, aangemoedigd door de oproeren van de fabrieksarbeiders te Vriezenveen, kwamen ondermeer in verzet, omdat zij het vermoeden hadden dat de stationering van de militairen aldaar naar aanleiding van diezelfde oproeren, voor hun rekening zou komen. De fabrikanten moesten hun geschillen maar met hun arbeiders zelf uitvechten, aldus de boze boeren.
{mospagebreak}Tijdens de oproeren ondervond men steun uit de bevolking, zoals blijkt uit het volgende citaat uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant: ‘De straatoproeren en vernielingen welke de strikes meestal vergezellen, en die gevoed en bevorderd worden doordat tal van nieuwsgierigen en zoogenaamde fatsoenlijke lui (…) het gepeupel en de kwaadwilligen tot schild verstrekken en politie en justitie belemmeren om krachtig op te treden’. ‘Het is mij gebleken dat men uitzondering der fabrieken de burgerij vrij algemeen te kennen geeft, dat de arbeiders gelijk hebben’ , aldus de Commissaris des Konings naar aanleiding van de oproeren in Enschede.
Ook de correspondentie vanuit Enschede aan het Algemeen Handelsblad, dat door Sprenger van Eijk werd beschuldigd van een ‘onjuiste voorstelling van zaken (…) daar [..] het groote publiek natuurlijk niet altijd kan weten, welke drijfveren de stellers van dergelijke berigten geleid hebben en of niet onverstand, wrok tegen de maatschappij wegens vermeende krenking, of wat dies meer zei, kunnen aangespoord hebben tot het uitspreken van een oordeel, waar de bevoegdheid en bekwaamheid daartoe teneenenmale ontbraken’ , wijst in de richting van steunbetuiging aan de arbeiderszaak in Twente vanuit de eigen bevolking.
Hoewel er nog geen sterke weerstandskassen bestonden, waren er wel solidariteitsacties. ‘Het bestuur der werkliedenvereeniging ‘Elk naar zijn krachten’ te Kampen, heeft ten behoeve van de arbeiders der afgebrande katoenspinnerij (in Hengelo), beschikbaar gesteld een bedrag van f . 107 welke som de opbrengst is van eene door die vereeniging gegeven toneelvoorstelling’.
Stakers uit Almelo werden financieel gesteund door collega’s uit Enschede. Waarschijnlijk ondervonden de arbeiders tijdens de stakingen financiële steun van arbeidersorganisaties. Van het ontbreken van iedere vorm van financieel weerstandsvermogen is in ieder geval geen sprake. Wel gaf het blijkbaar aanleiding tot conflicten tussen arbeiders. Naar aanleiding van de werkstaking te Enschede in 1872 meldde de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant: ‘Het schijnt dat de werkstakers verschil hebben gekregen over de verdeeling der gelden, welke ten hunnen behoeve waren bijeengebragt’.
De organisatiegraad van de Twentse arbeiders was meestal vrij laag. Het centraal bestuur van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond verspreidde in 1876 een proclamatie, gericht aan de Nederlandse niet-verenigde werklieden, waarin werd aangedrongen op de noodzaak om verenigd te streven naar de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de aansluiting bij gevestigde werkliedenverenigingen, terwijl verder de nodige hulp aangeboden werd om daar waar nog geen vereniging bestonden, deze tot stand te brengen.
Van een hechte vakvereniging onder de Twentse textielarbeiders was in deze periode geen sprake, hoewel er enige vorm van organisatie bij de werkstakingen zichtbaar was, waar mogelijkerwijs socialisten als actieleiders optraden. De Twentse arbeiders namen ook zelf het initiatief. ‘Naar men verneemt zou zich heden namiddag een deputatie uit de fabrieksarbeiders naar den heer Commissaris des Konings hebben begeven, ten einde dezen hunne belangen kenbaar te maken en hun leedwezen te betuigen over hetgeen gisteren avond was voorgevallen (tijdens ongeregeldheden in augustus 1872 te Almelo werd een oog van een van de schutters door een steenworp zwaar beschadigd)’.
{mospagebreak}De arbeiders van de verschillende fabrieken werkten samen tijdens de stakingen. Dit verklaart dat op hetzelfde moment in geheel Twente oproeren aan de orde van de dag waren. Bronnen spreken vaak over het bestaan van een ‘arbeidersbeweging’ in Twente. Een staking in een fabriek werd door arbeiders uit andere fabrieken gevolgd. De stakingen vormden dus geen los van elkaar staande verschijnselen zonder enige vorm van organisatie, zoals Boot stelt.
6. Reactie van de hogere klassen op de oproeren: de arbeiders als politiek-ideologisch probleem
De revolutie van 1848 was in Twente bekend, de opstand van de burgerij werd (bloedig) onderdrukt, maar het was voor de bourgeoisie duidelijk dat een politieke factor van betekenis was ontstaan.
‘Aan de lagere volksklassen staatkundige regten toe te kennen, met het daaruit noodwendig voortvloeijende gezag, zoude gelijk staan met hen een wapen in handen te geven, waarvan zij de kracht nog het gebruik kennen’.
Protestantse kiezers uit het kiesdistrict Almelo zouden aan het Handelsblad een strooibiljet hebben toegezonden met als inhoud: ‘Aan de kiezers in het hoofddistrict Almelo. Waarde medekiezers, die met ons de overtuiging koestert, dat de zoogenaamde liberale partij het dierbare vaderland ten verderve voert (…) en het mogelijk maakt, dat de arbeiders zich kunnen vereenigen, om hunne meesters en overheden ongestraft de wet te stellen’.
De aandrang tot het nemen van sociale maatregelen was een directe reactie van de overheid en de hogere klassen op de politieke dreiging die van de arbeiders uitging. Wie geen revolutie wilde, moest een voorstander van hervormingen zijn. Voorbeelden in het buitenland en ook in Twente, toonden de Twentse burgerij dat arbeiders door acties loonsverhogingen en andere arbeidsvoorwaarden af konden dwingen van de ondernemers en de staat tot ingrijpen in de arbeidsverhoudingen kon aanzetten. Het lot van de arbeiders was geen natuurlijk gegeven, het was daarentegen mogelijk er door verzet verandering in aan te brengen.
Het ontstaan van de oproeren in Twente leidde ertoe dat het probleem van de arbeiders in een politiek probleem veranderde: ‘de sociale kwestie’. De klassenscheiding, die door de industriële ontwikkeling op steeds grotere schaal gereproduceerd werd, begon voor de burgerlijke politici, meestal fabrikanten, in Twente een beangstigend groot probleem te worden. Uit meerdere verslagen klinkt de angst voor de oproeren door.
Hoewel Blonk in zijn sociografie van Enschede wil doen geloven dat in Twente de conflicten tussen fabrikanten en arbeiders het hevig dramatische van ellende en strijd mistte, blijkt uit andere bronnen het tegendeel. De arbeiders waren soms goed georganiseerd, groot in aantal en het verzet was heftig. Boeren en schippers, aangemoedigd door het verzet van de fabrieksarbeiders, gingen tot oproeren over. Met name de stationering van de militairen zette kwaad bloed onder arbeiders, boeren en schippers.
Volgens een ooggetuigeverslag hadden zich 1500 man verzameld. Op de straat kwam het tot gevechten tussen burgerij en soldaten. Beiden waren voorzien van geweren. Er viel een dode onder de opstandelingen. De oproerlingen te Vriezenveen hadden ‘zich tegen de openbare magt verzet op eene wijze, die de militairen tot den aftogt heeft gedwongen’.
De wethouders moesten een ultimatium van de opstandelingen aannemen. ‘De overmacht der rebellerenden triompheerde en de krijgsmacht moest (…) aftrekken en naar Almelo retireeren’. Daarmee was het gezag gefnuikt.’ Naar aanleiding van een werkstaking te Almelo meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant: ‘Thans was er eene menigte van ruim duizend arbeiders zonder werk en beving dientengevolge angst en schrik de ingezetenen der gemeente’. Enkele leden van de schutterij zagen dit van te voren aankomen en lieten een dag voor de oproeren verstek gaan.
Directe maatregelen zoals strafoplegging, proclamaties, militair ingrijpen of uitsluiting werden vooral door de fabrikanten voorgestaan. De Kamer van Koophandel en Fabrieken te Enschede besloot de fabrikanten voor te stellen zich onderling te verbinden om voortaan geen ‘lastige’arbeiders meer aan te nemen.
Naar aanleiding van de opstand te Wierden in 1869 sloten de fabrikanten de fabriek een dag en werden de voornaamste aanvoerders ontslagen. Uit een briefwisseling tussen Salomonson en Campbell blijkt dat de fabrikanten elkaar steunden bij de bestrijding van de rellen en dat de fabrikanten handig gebruik maakten van hun openbare en ambtelijke functies. Campbell stelde voor gebruik te maken van artikel 184 van de gemeentewet –later ook uitgevoerd- om zodoende een detachement huzaren te ontbieden.
{mospagebreak}Ondanks dergelijke maatregelen wist men niet te voorkomen dat de arbeiders grote schade aanrichtten en dat een groot deel van de eisen ingewilligd moest worden, zoals hogere lonen, de vrijwillige deelname aan het ziekenfonds en het niet hoeven werken op kerkelijke feestdagen.
7. Noodzaak tot hervormingen
‘Onze tijd (…) ontving als erfschat een maatschappelijk organisme, en als erfpligt een vraagstuk tot oplossing, zoo als de geschiedenis vroeger niet heeft gekend (…) waar bij het grootste verschil in toestanden, naast rijkdom en overvloed, eene armoede, een proletariaat der massa’s bestaat, en er velen zijn, die alles missen wat tot een eigen bestaan behoort (…) en gevoelt men, hoezeer zij de maatschappelijke orde bedreigen (…) in den arbeid is door de industriële revolutie, die in den loop dezer eeuw meer en meer en overal intreedt, een eigenaardig dualisme ontstaan; de scheiding in groot en klein, in fabriek en handwerk heeft allerlei verwikkelingen doen ontstaan en een strijd van belangen in het leven geroepen, die vroeger niet werd gekend (…) een der sterkst sprekende voorbeelden onder deze is (…) die der spinnerijen en weverijen (…) tot de betrekkingen op welke het meest wordt gewezen om een bestaand gevoel van onbehagelijkheid te wettigen of om ontevredenheid op te wekken, behoort die tusschen arbeiders en arbeidgevers.
Men heeft getracht de natuurlijke tegenstelling tusschen die beide te loochenen’. Als men de berichtgeving over de Twentse textielstakingen leest, krijgt men de indruk dat de gevestigde orde in Twente de sociale verhoudingen
Bericht geplaatst in: artikel