FRANS CULTUURIMPERIALISME, PER DEFINITIE EEN RAMP?

Geplaatst op 7 januari 2006 door Jeannick Vangansbeke
De mannen die het Franse imperium opbouwden, in Algerije, Marokko, Madagscar en Senegal waren geen houwdegens, maar cultureel erg ontwikkelde figuren.
De mannen die het Franse imperium opbouwden, Bugeaud in Algerije, Lyautey in Marokko, Galliéni in Madagscar, Faidherbe in Senegal waren geen houwdegens, maar cultureel erg ontwikkelde figuren. Het is de hoofdstelling in een boek dat door de Amerikaanse specialist in Franse geschiedenis Eugen Weber als absoluut te lezen revisionisme aangeprezen wordt. Langdon en Singer combineren in Cultured Force biografie, koloniale geschiedenis en cultuurgeschiedenis. Belangrijk is dat zij niet enkel op eventueel nobele intenties van de Franse koloniale veroveraars wijzen, maar ook concrete feiten in herinnering brengen. Alleen wie geen enkele achting heeft voor het genre van de biografie, zal dit boek als anekdotiek afdoen.
 
Het zijn betekenisvolle anekdotes. Galliéni bijvoorbeeld raakte samen met de Engelse vrijwilliger Kitchener in Duitse krijgsgevangenschap in 1870 en maakte daarvan gebruik om Duits te leren. Een beetje zoals De Gaulle tijdens de Groote Oorlog.
 
Bugeaud, de veroveraar van Algerije, was in werkelijkheid een soort Maginot. Hij wilde vooral Parijs beschermen door versterkte vestingen in het Noorden en zag scherp toe op zijn soldaten zodat elke omgehakte olijfboom werd vergoed.
 
Lyautey bekwam pas een eerste grote lening in Parijs in 1914. Zijn doel was via een moderne haven in Casablanca een modern land op te bouwen. In 1915 keerde hij zich scherp tegen het toekennen van de Franse nationaliteit aan Noord-Afrikaanse soldaten, ‘wij zijn niet in Afrika om te assimileren maar om het land op te bouwen’ was zijn visie (Singer, 206).
 
Het interessantste hoofdstuk slaat eigenlijk op de geschiedenis van die Eerste Wereldoorlog. Het betreft een portret dat Singer en Langdon borstelen van de Franse bevelhebbers Joffre en Galliéni. In de kolonie had zowel ingenieur Joffre als generaal Gallieni het belang geleerd van de creatie van een mythe rondom je persoon. Fundamenteel versterkte dit vooral het narcisme van Joffre. Toch ging de Franse natie per vergissing niet Galliéni, die meer en interessantere lessen had geleerd over krijgstechniek in de kolonies, als de redder van het vaderland vereren, maar Joffre. Daarop besloot de veroveraar van Timboektoe met waanzinnige offensieven door te gaan. Galliéni, in 1914 ondergeschikt aan Joffre, was als pacificator in Indochina en Madagascar trots op zijn defensieve verleden en nooit een narcist. Na de zege aan de Marne dankzij de taxi’s van Galliéni, achtte hij de tijd rijp voor een aanval op de westelijke flank van de Duitsers in combinatie met een Brits-Belgische aanval vanuit Antwerpen. Dat zou de industriegebieden van Noord-Frankrijk gered hebben, maar Joffre wilde in elk geval niet luisteren naar de raad van zijn vroegere meerdere. Dit narcisme kostte miljoenen Franse levens en miljarden Franse franken (Singer, 142 e.v.).
 
Singer B., Langdon J. Cultured Force: makers and defenders of the French Colonial Empire, Madison: university of Wisconsin press, 2004, 484 p.
Bericht geplaatst in: boekrecensie