DE POLITIEK VAN HET KLEINSTE KWAAD. EEN GESCHIEDENIS VAN DE JOODSE RAAD VOOR AMSTERDAM, 1941-1943

Geplaatst op 3 mei 2024 door Reinard Maarleveld
De politiek van het kleinste kwaad. Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943
Foto: Herinneringscentrum Kamp Westerbork, https://kampwesterbork.nl/geschiedenis/tweede-wereldoorlog/durchgangslager/63-tweede-wereldoorlog/durchgangslager/249-transporten

Meewerken of Mauthausen? Dat is een van de dilemma's waarmee de Joodse Raad worstelde.

De Joodse Raad was een organisatie die was ingesteld op initiatief van de Duitse bezetter en tussen 1941 en 1943 de anti-joodse maatregelen van de Duitsers doorgaf aan de joodse gemeenschap. Na de oorlog werden de leden van de Joodse Raad (althans: zij die de holocaust overleefd hadden) door velen als collaborateurs gezien. Bart van der Boom neemt het in zijn boek ‘De politiek van het kleinste kwaad’ op voor Asscher en Cohen, de leiders van de Joodse Raad.

Het samenwerken met de Duitsers was aanvankelijk een praktische reactie op de omstandigheden. De Duitsers waren de baas en zouden dat voorlopig blijven. Wat te doen? Asscher en Cohen meenden dat het werk van de Joodse Raad nodig was. Van der Boom ziet daarbij vier motieven.

Allereerst meende de Raad dat escalatie werd voorkomen door de samenwerking. Na de februaristaking van 1941 werd duidelijk dat de Duitsers bij tegenwerking joden zouden straffen met deportatie naar Mauthausen. Dat betekende, zo werd snel duidelijk, de dood. Om ‘Mauthausen’ te voorkomen was samenwerking onvermijdelijk. Het tweede argument was 'verzachten, ombuigen, vertragen, afzwakken' van de vervolging. De Joodse Raad was doorgeefluik maar probeerde ook maatregelen te wijzigen. Ten derde het 'verzorgen'. Men probeerde zoveel mogelijk mensen te helpen. Materieel (kleding,voedsel) en immaterieel (contacten, troost, duiding). Ten vierde 'selectie', door vrijstelling te bepleiten voor zwakken en onmisbaren bleef tenminste een deel van de joodse gemeenschap voorlopig gespaard voor wegvoering.

In de zomer van 1942 veranderde de situatie ingrijpend omdat de Duitsers toen met  de deportaties begonnen. De Nederlandse joden zouden naar het Oosten moeten om daar te gaan werken, was het verhaal. De Joodse Raad bleef vasthouden aan de samenwerking met de bezetter. Daardoor werkten de leden van de Raad mee aan de holocaust is achteraf het verwijt. Van der Boom vindt die aantijging niet terecht omdat zij "niet wisten wat wij weten, namelijk dat verrweg de meeste gedeporteerden bij aankomst werden vermoord." (p. 325). 

De argumentatie van Van der Boom is overtuigend. Tegelijkertijd blijft de lezer van vandaag zich verbazen over het absurde van sommige zaken. Zo spande de Joodse Raad zich in om vertrekkenden naar Westerbork een rugzak mee te geven met spulletjes die de mensen daar en later, in 'het Oosten', nodig zouden hebben. Hoewel Van der Boom het opneemt voor de leiders van de Joodse Raad zet hij wel vraagtekens bij het hierboven genoemde selectie-argument. Cohen en Asscher kwamen zelf niet in vernietigingskampen terecht maar in Theresienstadt (Cohen) en Bergen-Belsen (Asscher). Beiden overleefden de holocaust. Van der Boom gaat uitgebreid in op de historiografie van de Joodse Raad en op de naoorlogse discussie over de personen van Cohen en Asscher. Inclusief het verweer van Cohen zelf. 

'De poltiek van het kleinste kwaad' is een belangrijke bijdrage aan de discussie  over de rol van personen en organisaties tijdens de bezetting. Enerzijds is er opnieuw aandacht voor de dilemma's waarmee de vervolgde joden in hun uitzichtloze situatie worstelden, anderzijds toont Van der Boom, misschien ongewild, aan dat de, achteraf gezien, verkeerde keuze (medewerking verlenen) van de Raad ook leidde tot bizarre taferelen. Met 'de rugzak' als verdrietig symbool.

Bart van der Boom
De politiek van het kleinste kwaad
Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943
Boom uitgevers Amsterdam
ISBN 9789024444878
€ 29,90

 

 

Bericht geplaatst in: boekrecensie